Studentenhuisvesting in Amsterdam in cijfers

Ieder jaar wordt in opdracht van Kences, een koepelorganisatie van studentenhuisvesters (o.a. DUWO en De Key), een onderzoek uitgevoerd naar studentenhuisvesting, zowel in Nederland als in de afzonderlijke studentensteden. De cijfers op deze pagina komen uit deze Lokale Monitor Studentenhuisvesting Amsterdam 2018.

Hier wordt een samenvatting gegeven van de resultaten van deze Lokale Monitor Studentenhuisvesting 2018. Je kan het hele rapport ook hier downloaden.

Populatie

Er studeren ruim 100.000 studenten aan een Amsterdamse hoger onderwijsinstelling. In dit onderzoek worden zij aangeduid als de primaire doelgroep. Daarnaast zijn er bijna 7.000 studenten die in een andere stad studeren, maar wel in Amsterdam wonen. Zij zijn de secundaire doelgroep.

Van die primaire doelgroep is iets meer dan de helft uitwonend, waarvan veruit de meesten (40.000) in Amsterdam. De meesten hiervan wonen op kamers met gedeelde voorzieningen, maar ook ruim een derde woont in een éénkamerwoning, een studio dus. De rest is uitwonend buiten Amsterdam. Bij de thuiswonenden woont de overgrote meerderheid (40.000) juist buiten Amsterdam. 

Studenten die niet in Amsterdam wonen, maar er wel studeren wonen vaak in de buurt, bijvoorbeeld in Haarlemmermeer, Almere of Zaanstad, of in andere studentensteden zoals Utrecht of Leiden.

Woonsituatie

Zoals je in deze figuur kan zien neemt het aantal thuiswonende studenten de laatste jaren langzaam toe. In het onderzoek wordt gesuggereerd dat dit mogelijk te maken heeft met de invoering van het leenstelsel: nu studenten geen basisbeurs meer krijgen en alles moeten lenen voor hun studiekosten en levensonderhoud, maken velen de keuze om langer thuis te blijven wonen en zo kosten uit te sparen. In het onderzoek wordt hier verder op ingegaan in paragraaf 3.6.

Zowel voor eerstejaars als voor tweede- en derderjaars bachelorstudenten geldt dat er daarvan minder uit huis zijn gegaan sinds de invoering van het leenstelsel. Voor eerstejaars is dit verschil 24%, voor tweedejaars 22%, en voor derdejaars 15%. Blijkbaar hebben dus steeds minder studenten de middelen om uit huis te gaan. Dit verschil is ook groter bij Amsterdamse studenten dan bij studenten in de rest van Nederland. Het lijkt er dus op dat de hoge huurprijzen in Amsterdam een versterkend effect hebben.

Meer dan de helft van de studenten huurt bij een woningcorporatie, waarvan veruit de meesten bij DUWO of De Key. Ook huurt bijna een derde van een particuliere verhuurder. Studenten wonen in het algemeen in een kamer waarbij ze voorzieningen delen met huisgenoten, dit is zo voor 45% van de Amsterdamse uitwonende studenten. Ruim een derde heeft een studio, en bijna een kwart woont in een meerkamerwoning.

Zoals je in de figuur hieronder ziet, wonen studenten in Amsterdam vaak in kleine kamers: bij kamers en éénkamerwoningen heeft bijna de helft een kamer kleiner dan 14m². In vergelijking met het gemiddelde van Nederland zijn de kamers dus een stuk kleiner.

 

 

 

Betaalbaarheid

In deze tabel zie je de gemiddelde inkomsten en uitgaven van studenten in Amsterdam en Nederland, thuiswonend en uitwonend. Het eerste dat opvalt is dat (zeker voor uitwonende studenten) er weinig geld overblijft aan het einde van de maand. Dit komt natuurlijk voornamelijk doordat ze veel huur moeten betalen, in Amsterdam gemiddeld zo’n €500.

Studenten financieren dit door de lenen bij DUO, of door te werken. Zeker bij die eerste inkomensbron is er een groot verschil tussen thuiswonende en uitwonende studenten. Kortom: studenten die op kamers willen gaan, zullen bereid moeten zijn daarvoor geld te lenen. Ook is het goed om op te merken dat studenten gemiddeld veel geld ontvangen uit ouderlijke bijdrages. Ook dat lijkt dus een vereiste te worden, terwijl lang niet alle ouders daar natuurlijk toe in staat zijn.

 

Dat lenen leidt ertoe dat met name uitwonende studenten een hoge studieschuld opbouwen. Merk ook op dat er een groot verschil zit tussen de opgebouwde schuld van studenten die nog een basisbeurs kregen en die van studenten die het moesten doen met het leenstelsel. Die bouwen vanaf het begin van hun studie veel meer schuld op dan studenten die nog onder het leenstelsel vielen.

 

 

Dat studenten die in Amsterdam een kamer huren veel moeten lenen is niet gek als je naar de gemiddelde woonlasten kijkt. Die bedragen maar liefst €500 per maand, wat significant hoger is dan in de rest van Nederland. Met name bij kamers met gedeelde voorzieningen is dat verschil groot. Met name in de particuliere verhuur worden hoge huurprijzen gevraagd, richting de €600. Ook bij niet-Kences corporaties en bij informele verhuur gaat de gemiddelde prijs echter over de €500 heen.

Als gekeken wordt naar de woonlasten per m² worden deze verschillen nog verder uitvergroot. Gemiddeld betalen Amsterdamse studenten €31 per m², terwijl dat in Nederland slechts €24 is. Voor een kamer met gedeelde voorzieningen betaal je in Nederland gemiddeld €25 per m², maar in Amsterdam is dat ruim €35!

 

 

De hoge huurprijzen en precaire financiële positie van studenten leiden ertoe dat de gemiddelde woonquote (verhouding woonlasten-inkomen) maar liefst 51% bedraagt! Dat betekent dat studenten die in Amsterdam wonen iets meer dan de helft van hun inkomen kwijt zijn aan hun woonlasten. Over het algemeen wordt een woonquote van 20%-30% gezien als normaal. Uit het onderzoek blijkt ook dat de woonquote van studenten die in Amsterdam wonen de afgelopen jaren is gestegen van zo’n 47% in 2016 naar dus 51% in 2018.

Keuzeruimte

Uit de figuur links blijkt dat 42% van de uitwonende studenten in Amsterdam binnen een jaar van plan is te verhuizen. Nog eens bijna een kwart heeft ook plannen, maar pas voor over een jaar of langer. Van de studenten met verhuisplannen wil 23% naar een andere kamer binnen Amsterdam verhuizen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen zijn omdat ze een aflopend contract hebben of omdat ze niet tevreden zijn met hun huidige woonsituatie. Andere grote groepen zijn mensen die uit hun ouderlijk huis willen (Starters; 28%), en mensen die naar Amsterdam toe willen verhuizen (Vestigers, 8%.

 

Lang niet iedereen die graag wil verhuizen, is een jaar later echter ook daadwerkelijk verhuisd. Met afstand de voornaamste reden waarom studenten toch niet zijn verhuisd is omdat ze geen betaalbare woonruimte konden vinden (36%). De tweede reden is dat ze überhaupt geen beschikbare woonruimte konden vinden (18%). 

Studenten die zijn verhuisd hoewel ze dat niet hadden gepland geven aan dat dat vaak komt doordat hun studieplannen zijn gewijzigd (34%) of doordat ze goedkopere of grotere woonruimte hebben gevonden (32%). Ook gaan samenwonen is een reden die relatief veel wordt genoemd (18%).

 

 

Als Amterdamse studenten dan iets te kiezen hebben, dan kiezen ze voor lage woonlasten. Uit deze figuur blijkt dat de woonlasten voor meer dan 40% de woonruimtekeuze van Amsterdamse studenten bepalen. Voor thuiswonende studenten geldt dat nog iets meer dan voor uitwonende studenten. Blijkbaar speelt bij de stap van geen huur betalen naar wel huur betalen de hoogte van die huur nog meer mee dan bij studenten die al gewend zijn huur te moeten betalen. De factor die daarna het meest bepalend is is het type woonruimte met meer dan 20%.