Studentenhuisvesting » Congressen
 Congres 2009: 'Studenten in achterstandswijken'
 

Verslag congres ‘Studenten in achterstandswijken’ 18 juni 2009

Vanaf 13.00 druppelen de bezoekers voor het congres ‘Studenten in achterstandswijken’ binnen in Paviljoen aan ’t IJ, in het containerdorp met studentenwoningen in de Amsterdamse Houthavens. Het congres is georganiseerd door de ASVA studentenunie. De zaal zit vol studenten en medewerkers van woningbouwcorporaties, maatschappelijke organisaties en de gemeente. Doel van de dag is om deze verschillende partijen effectiever met elkaar te laten samenwerken en tot ideeën te komen waarop studenten in achterstandswijken voordeel kunnen hebben
.

Martijn Weeda, voorzitter van ASVA, verwelkomt de vijftig deelnemers. Volgens Weeda is er te weinig aandacht voor de zaken die goed gaan in achterstandswijken, zoals een initiatief als Project VoorUit en ervaart zijn eigen situatie in een Amsterdamse achterstandswijk als positief. Zo heeft zijn onderbuurman eens zijn wasmachine gemaakt en verwijderde hij op zijn beurt het virus van de computer van die man.

De rol van studenten
PvdA-gemeenteraadslid Sonja Hauet geeft vervolgens haar visie op de rol die studenten kunnen hebben in achterstandswijken. In december 2008 is er een motie over studenten in achterstandswijken aangenomen. Project VoorUit (waarover later meer) heeft voor inspiratie gezorgd om meer studentenhuisvesting in achterstandswijken te plannen. Waarom? Het creëert ten eerste woonruimte voor studenten. Ten tweede zorgt het voor stedelijke vernieuwing in de wijk. Studenten kunnen voorbeelden zijn voor een vrijere levensstijl. Ze zijn hoog opgeleid en zullen een voorbeeld vormen voor andere jongeren in de buurt. Daarnaast neemt de activiteit in de buurt toe. Er vindt uitwisseling plaats van levensstijlen en culturen. Bovendien wordt de lokale economie versterkt. Studenten consumeren in de buurt, bezoeken horeca. Studenten zorgen voor ruering in de wijk en de sociale veiligheid neemt toe. Tot laat op de avond lopen ze immers over straat. Daarnaast zijn studenten initiatiefrijk. Ze zetten zaken in gang. Amsterdam wil een topstad zijn; studenten zijn de toekomst. De stad moet de stroom studenten die in Amsterdam wil wonen plaatst bieden. De 7600 nieuwe studentenwoningen die voor 2010 gepland staan, worden niet gehaald en de economische crisis is ook niet bevorderlijk voor de realisatie daarvan. Maar de crisis biedt ook kansen. Zachte plannen voor koopwoningen kunnen omgezet worden in huurwoningen. Dat biedt soelaas.
    
Een probleem is dat de subsidie voor onzelfstandige woonruimte die ooit werd verstrekt, is afgeschaft. Corporaties vinden het daardoor niet aantrekkelijk onzelfstandige woonruimte aan te bieden, terwijl die gemakkelijker te realiseren zijn. Studenten willen over het algemeen best voorzieningen delen. Men zou erop moeten inzetten om vijftig procent van de studentenhuisvesting op deze manier te realiseren, vindt Hauet. Het kabinet geeft aan geen geld te hebben voor huursubsidie voor onzelfstandige eenheden. Vorige week is er door Kences en de gemeente Amsterdam een pressiebrief naar de Kamer gestuurd om hierop aan te dringen.

Een andere optie is het omzetten van leegstaande kantoren tot studentenkamers. Op dat terrein zijn er veel kansen, maar tot nu toe lukt dat niet. Het is duur. Als niet alles zelfstandig gemaakt hoeft te worden (aparte wc, douche), zouden zulke woningen gemakkelijker te realiseren zijn.

Het labelen van 800 eenheden is niet op gang gekomen. Als er subsidie zou zijn voor onzelfstandige woningen, zou dit een stuk gemakkelijk gaan. Bestaande woningen kunnen dan namelijk aan meerdere studenten verhuurd worden. 

Tot op heden is er weinig gebruik gemaakt van de subsidiepot voor studentenhuisvesting. In die pot zit twee miljoen euro. Hauet hoopt op goede plannen. De wil is er, ook van corporaties. Er zijn veel initiatieven in opvolging van Project VoorUit. Het voortgangsrapport studentenhuisvesting is niet om blij van te worden, maar volgens Hauet triggert dit de zaak en zijn er ontwikkelingen. In een inhaalslag kan volgens haar veel gebeuren.

De overheid bouwt geen woningen, maar faciliteert met geld en door regels soepeler te maken. De corporaties en projectontwikkelaars zijn de uitvoerende kracht. Sommige stadsdelen werken te weinig mee. Er komt wel steeds meer aandacht voor studentenhuisvesting. Studenten doen er vanalles aan en Hauet spreekt vol lof over initiatieven van bijvoorbeeld ASVA om het belang van studentenhuisvesting op de agenda te zetten door een congres te organiseren en alle partners samen te brengen. Er moeten meer studentenwoningen in achterstandswijken komen, zodat die wijken transformeren tot krachtwijken.

Studenten in de Spaarndammerbuurt
Wim de Waard van De Key spreekt vervolgens over de betekenis die de 700 containerwoningen in de houthavens hebben gehad voor de Spaarndammerbuurt. De Waard heeft bij De Key ‘studentenhuisvesting’ in de portefeuille. In de Spaarndammerbuurt zijn 6500 woningen. Waar nu de containerwoningen staan in de Houthavens zijn over 10 jaar 700 nieuwe woningen en een veelheid aan bedrijven gevestigd. Dat alles wordt op eilandjes in het water gebouwd. Deze wijk wordt één geheel met de Spaarndammerbuurt.

Aan het eind van de vorige eeuw is gestart met het uitwerken van de plannen voor deze nieuwe wijk. De plannen werden echter aangevochten door bedrijven in de buurt en afgewezen door de Raad van State. In 2003 is het plan ontstaan om er studentenwoningen neer te zetten. Na zeven maanden konden de eerste studenten al in de containers trekken. Ook kwam het schip ‘de Rochdale1’ er met 170 studenten. Al gauw woonden er zo’n 1200 studenten, waarvan 10 tot 15 procent uit het buitenland afkomstig.

De Spaarndammerbuurt is gelegen in Westerpark, waaronder ook bijvoorbeeld de Staatsliedenbuurt wordt gerekend. Al voordat de studenten in de wijk kwamen hanteerde De Key een buurtgerichte aanpak. Er waren problemen in de wijk. De wijk ging hard achteruit, er zat geen leven meer in. De Key streefde naar meer verschillende woningen in de wijk, want kleine huurwoningen overheersten. De Key wilde meer duurdere huurwoningen en koopwoningen. Daarnaast wilde de woningbouwcorporatie investeren in de winkels. Ten slotte zette De Key in op meer verschillende doelgroepen in de wijk: oud, jong, rijk, arm. De mensen die hier al woonden konden blijven wonen. De Key heeft tegen een aanvaardbare prijs geïnvesteerd in winkels en activiteiten in de buurt: 175 miljoen euro in tien jaar tijd. De studenten die in 2003 in de Spaarndammerbuurt kwamen wonen, landden in een wijk die volop in verandering was; er was een context van beweging, ontwikkeling.

In de Spaarndammerstraat zijn de gevels van de winkels vernieuwd, er zijn winkels bij gekomen en zaken zijn weggegaan. Er is bijvoorbeeld een Beagels & Beans gekomen en een Albert Heijn. Toen de Albert Heijn hoorde dat hier 1300 studenten zouden komen wonen, wilde de winkel hier wel een vestiging openen. De Key wilde bovendien 645 woningen verkopen. Daarvan zijn er tot nu toe 450 verkocht. Er is een medisch centrum in de Spaarndammerstraat gekomen. Behalve De Key, zijn ook Ymere en Rochdale bezig in deze wijk. Dat heeft effect. Er is prestigieuze nieuwbouw gekomen, gebouwen hebben zelfs architectonische prijzen gewonnen.

In het kielzog van de studenten is er horeca gekomen, zoals Paviljoen aan ’t IJ en Freud, waar mensen met een verstandelijke handicap werken. Het wordt steeds drukker in de buurt, dat zie je letterlijk. ’s Ochtends puilen de bushaltes uit en mensen gaan ’s avonds naar de Albert Heijn. De levendigheid in de straten is toegenomen. Het is hier nu wezenlijk anders dan vier, vijf jaar geleden, volgens De Waard.

De wijk zit in de lift en wordt ook als hipper gezien, dat is een gevoel dat heerst. Maar ook harde cijfers wijzen dat aan: de gemiddelde prijzen van gekochte woningen is per vierkante meter gestegen. Dat gemiddelde ligt nu hogen dan het gemiddelde van andere woningen die De Key biedt en dus dan andere buurten. Dit is een indicator dat de investeringen zichtbaar worden.

Studenten maken een onderdeel uit van wat er is gebeurd in de Spaarndammerbuurt en Westerpark. De wijk is omhoog aan het komen. 1300 studenten is een massa, dat is anders dan een paar studenten in een achterstandswijk zetten. Een massa zie je, in de omzet van zaken (het zijn consumenten), en je ziet ze letterlijk veel op straat. Ze maken verschil in de buurt. In het Westerpark is het Westergasterrein, er zijn festivals, het filmhuis Het Ketelhuis, er is een bakkerij. Het park doet het goed. Er is een gymnasium gekomen met een mooie architectonische uitstraling.

Het gaat om een cocktail aan verschillende zaken die de wijk hogerop hebben geholpen. De studenten kunnen gezien worden als smeermiddel. Het zijn niet alleen de studenten geweest, maar zij zijn wel van belang in de mix. Het imago was van studenten was in eerste instantie bij het stadsdeel negatief, maar uiteindelijk hebben ze een positief imago overgehouden.

Gratis wonen in ruil voor maatschappelijk werk
Vervolgens spreekt Adinda Boeren over Project VoorUit. Bij Project VoorUit krijgen studenten een gratis woonruimte in een achterstandswijk aangeboden in ruil voor maatschappelijk werk in de buurt. In 2007 is Project VoorUit gestart. Het idee is overgewaaid uit Israël, waar al 25 jaar dit soort projecten bestaan. Het initiatief is van een particulier, die werk in samenwerking met de VU, Ymere en Far West.

Enkele VU-studenten krijgen in Amsterdam-West gratis woonruimte in ruil voor tien uur werk in de wijk. De studenten organiseren samen met de bewoners van de wijk activiteiten. Adinda woont in Osdorp. Dat is een wijk die aan het veranderen is. Er worden woningen gesloopt (ruiten zijn soms ingegooid), er wordt gebouwd. Het is een zooitje. De studenten proberen voor continuïteit te zorgen voor kinderen die wonen in een wijk die in beweging is. Ze organiseren activiteiten na school en geven huiswerkbegeleiding in een buurthuis. De eerste keer dat de studenten huiswerkbegeleiding gaven, kwamen er drie kinderen. De week daarna stonden er hordes moeders op de stoep. Er is veel mond-tot-mond-reclame. De VU-studenten hebben nu een eigen buurthuis, een appartement van Ymere, met computers en tafels en stoelen. Voor de kinderen is dat een plek om heen te gaan en iets te leren, in plaats van op straat te blijven hangen. De VoorUit-studenten organiseren leesclubs, geven rekenles. Een vader vroeg aan Adinda of zij hem computerles konden geven. Nu geven de studenten computerles voor vaders in de buurt. ‘We laten zien wat er allemaal mogelijk is. Aan moeders geven we Nederlandse taalles. We kijken wat er nodig is in de buurt. Ook gebruiken we de kwaliteiten van de studenten. Ik sport bijvoorbeeld graag en nu doe ik dat vaak met de kinderen.’ De activiteiten zijn gratis. Vaak is er geen geld in de gezinnen om de kinderen op een sportclub te doen. Ook mensen die uit de wijk zijn geplaatst en bijvoorbeeld in IIburg wonen, blijven hun kinderen naar onze lessen brengen.

VoorUit heeft een vast schema met activiteiten. Ook hebben ze de kinderen een keer meegenomen naar de VU, om te laten zien waar de juffen en meesters naar school gaan. ‘Kinderen zagen daar studenten met hoofddoekjes en kwamen erachter dat zo’n toekomst ook een mogelijk is voor hen. Uiteraard zullen de schoolresultaten van deze kinderen verbeteren, maar het gaat ook om kleine dingen waardoor er voor de kinderen een wereld opengaat. In veel gezinnen is het bijvoorbeeld niet gangbaar dat een student op kamers woont, maar de kinderen zien dat nu bij mij. We komen echt in contact met de bewoners. We doen iets met elkaar. Dat is belangrijk. Ook voor de studenten. Studenten kunnen gemakkelijk in zo’n wijk gaan wonen, pionieren. Ze hoeven niet meteen een woning in die wijk te kopen, maar zitten er tijdelijk en blijven dan hangen. Veel studenten van Project VoorUit willen in hun wijk blijven wonen.’

Panelgesprek
Na de pauze is er een panelgesprek onder leiding van Jan Paternotte (duo-raadslid van D’66 en student) met:

Evelien van Roemburg –gemeenteraadslid GroenLinks
Co Stor- directeur gebiedsontwikkeling Westerpark
Alexander Scholtes- raadslid D’66
Nouk Pouw – manager strategie en beleid DuWo
Wilfred Fischer – aanjager Academie van de Stad

Alexander Scholtes is raadslid in Amsterdam Oud-Zuid. Oud-Zuid doet wel wat aan studentenhuisvesting, maar te weinig, volgens Scholtens. Er is een gebrek aan politieke wil. Hoe we verandering daarin zouden kunnen aanbrengen? Het stadsdeel zou woningen kunnen herlabelen. Er zijn voorstellen aangenomen door de deelraad, maar die plannen zijn nog niet uitgevoerd.

Evelien van Roemburg is net afgestudeerd in New York en zit sinds een week in de gemeenteraad. In New York is het verplicht om tijdens de bachelor veertig uur vrijwilligerswerk per jaar te doen. Tijdens haar master in New York heeft ze als vrijwilliger bij een asielzoekerscentrum gewerkt.

Co Stor is gebiedsontwikkelaar en is verantwoordelijk voor de nieuw te realiseren Houthavens. Voor elke locatie werkt het volgens hem anders, hoe de achterstandswijk het beste aangepakt moeten worden. Het is een samenloop van acties. Eerst moet er iets gedaan worden om vertrouwen te generen en duidelijk communiceren wat er gedaan wordt. In de Spaarndammerbuurt is men eerst aan de gang gegaan in de Spaarndammerstraat. Voorheen was de helft van die straat dichtgetimmerd, vanuit daar is men begonnen met de opbouw van de hele wijk.

Nouk Pouw gaat over de containerdorpen van DuWo. Waarom worden studenten altijd in een dorp bij elkaar gehuisvest, wil Patternotte weten. DuWo zoekt naar manieren om studenten te huisvesten. Het alternatief voor het containerdorp in de Houthavens is ver doorgevoerd en ze kunnen misschien langer blijven staan. De boot Rochdale verhuist naar Noord. Maar het staat allemaal nog niet zwart-op-wit.

Wilfred Fischer is van de Academie van de Stad. De stad heeft voordeel van studenten. De Academie initieert zoveel mogelijk sociaal-maatschappelijke projecten met en door studenten uit het hoger onderwijs. Het is interessant voor studenten om met een echte opdrachtgever te werken. Er zijn nu 17 projecten aan de gang met in totaal 340 studenten: een voorleesservice, activiteiten voor buurtbewoners, lesgeven aan allochtonen, inrichten van een nieuw buurthuis en er is een denktank waarbij studenten op basis van onderzoek dat zij doen de buurt proberen te verbeteren.

Paternotte: Lodewijk Asscher heeft in een interview met ASVA gezegd dat studenten de nieuwe elite. Zij worden gesubsidieerd door de overheid en ze leveren niet veel in. Moet je hen nog belonen door gratis woonruimte aan te bieden of zou maatschappelijk werk verplicht moeten worden?

Van Roemburg: Nederlandse studenten doen een investering, ze lenen geld en daarna betalen ze meer belasting. Ze geven een hoop terug. Dus je kunt ze niet zomaar verplichten iets te doen voor de samenleving.

Paternotte: Hoe staan jullie tegenover maatschappelijke stages of studiepunten voor Academie van de stad?

Scholtes: Het moet niet verplicht worden om dingen te doen. Het is prijzenswaardig als je wat doen, zoals een bestuursfunctie bekleden.

Fischer: Ik ben voor studiepunten. Vaak hebben studenten net een duwtje in de rug nodig om mee te doen. Er zijn veel voorzieningen. Alle studenten worden enthousiast als ze meedoen, de drempel is alleen groot. Dus een er mag wel een stimulans zijn zoals gratis woonruimte of studiepunten. Na zo’n ervaring gaan veel studenten vrijwilligerswerk doen. Nu doen er nog weinig studenten mee door de onbekendheid van de projecten en het is moeilijk om projecten in te passen in het curriculum van het onderwijs, maar het is wel in beweging.

Stor: De containerwoningen in de Houthavens zijn geboren uit een crisis. Je hebt een groot gebied nodig om zoiets te kunnen realiseren. Tijdelijke huisvesting kan vaak wel. Je moet kijken naar locaties die een lange transformatietijd hebben en daar tijdelijke studentenhuisvesting neerzetten. Er is niet meer zoveel ruimte over in de stad. Er zijn wel veel panden die leegstaan.

Pouw: Studenten hebben invloed op de wijk. In Noord zijn nu bijvoorbeeld ook festivals, de IJ kantine is er. De buurt staat op de kaart. De containers hebben een impuls. In Oegstgeest heb je hetzelfde effect. De studenten gaan aan de rand van Leiden wonen. Ze blijven daar hangen en kopen er een woning.

Scholtes: De Diamantbuurt en de Pijp horen ook bij Oud-Zuid. In de Diamantbuurt, waar criminele bendes actief zijn, is 80% sociale huurwoning. Het zou goed zijn als van die 80% een deel gelabeld zou worden tot studentenhuisvesting.
ASVA lobbyt goed bij de centrale gemeenteraad, maar zou meer bij de deelraden moeten lobbyen, want daar gaat studentenhuisvesting vaak ten koste van sociale woningbouw.

Van Roemburg: Er is niet alleen woningnood onder studenten. Er zou voor studenten ook buiten de ring meer ruimte moeten worden gemaakt en niet alleen in bijvoorbeeld de Pijp. GroenLinks wil 60% tot sociale huur labelen. Ik vind dat een deel voor studenten moet zijn.

Martijn Weeda: Volgende week beloont ASVA het stadsdeel Oost-Watergraafsmeer, omdat 43% van de 7600 geplande studentenwoningen tot nu toe in dat stadsdeel is gekomen. Stadsdeel West doet juist weer heel weinig aan studentenhuisvesting. Sommige stadsdelen moeten meer doen. Het is niet alleen een afspraak van de centrale gemeenteraad.

Paternotte: Co Stor, zou jij meewerken?

Stor: Tuurlijk! Jongerenwoningen is een andere grote zorg. Het aanbod voor starters is een drama. Studenten zijn belangrijk, maar ik zou de woningen niet benoemen tot studentenwoningen, maar ‘jongeren’, zodat ook afgestudeerden een kans hebben. Starters kopen nu ook in de Spaarndammerbuurt. Je kunt het labelen beter breder trekken, dus ‘studenten, jongeren, starters’.

Pouw: Ik ben voor labelen en tegen nieuwbouw. We moeten benutten wat er is. Ook in stadsdeel Westerpark moet gelabeld worden. Sommige stadsdelen doen veel, zoals Zuid-Oost, maar er moet op gelet worden dat die daarmee blijven doorgaan en niet stoppen.

Scholtes: Je moet afgestudeerden vasthouden, ze een kans geven in Amsterdam te blijven door te labelen.

Iemand van Ymere uit de zaal: ‘Jongeren’ is iets anders dan ‘studenten’. Die jongeren zijn vaak opgegroeid in Amsterdam. Studenten blijven tijdelijk, maar er zou meer keuze moeten zijn. Je moet wel labelen voor studenten, maar labelen voor starters is onzin. In Osdorp kun je na negen jaar iets vinden.

Iemand anders uit de zaal: Voor mensen die na hun studie minder gaan verdienen is het lullig om sociale huurwoningen te labelen.

Sonja Hauet (PvdA): Er zijn afspraken gemaakt om alle nieuwbouw onder te verdelen in 30% sociale huurwoning, 40% middenklasse en 30% koopwoning. Studentenhuisvesting valt onder die 30% sociale huurwoningen. Dat percentage kan niet worden vergroot. Het is waar dat er een lange wachttijd is. Er zijn veel bijzondere groepen gelabeld, voor ouderen etc. Voor ‘gewone’ mensen loopt daardoor de wachttijd op. Moeten we naar een minder doelgroepenbeleid? Er is zo’n lange wachttijd omdat meer dan 50% van het aanbod voor de doelgroepen is gereserveerd. Er komen steeds meer studenten. We labelen wel al voor studenten. De afspraken die we hebben over studentenhuisvesting zijn nog niet uitgevoerd. De Key gaat labelen. Van de 800 woningen die gelabeld zouden worden is nog niks terechtgekomen, maar dat gaat wel gebeuren.

Stor: 30%, 40%, 30%: Van de 30% sociale huur is 65% voor doelgroepen. Er zijn al 800 woningen gelabeld in twee jaar tijd.

Paternotte: Wat doen de stadsdelen voor meer studentenhuisvesting in de stadsdelen?

Fischer: Er zijn 100.000 studenten in Amsterdam. Er wonen 50.000 studenten niet in de stad die wel hierheen willen. We moeten het grootschaliger aanpakken. Er moet een compleet nieuwe stad gebouwd worden met 40.000 nieuwe woningen. Er is weinig mogelijk in de huidige situatie. Er moet flink gebouwd worden voor studenten.

Scholtes: In mijn stadsdeel is niet veel ruimte. Er zijn wel wat plekken, maar naar mijn mening moeten we de hoogte in. Ruimte bieden door in de hoogte te gaan.

Van Roemburg: Almere is een optie: dubbelstad Almere-Amsterdam. Daar zijn veel mogelijkheden.

Lous Vinken: Het is mooi om meer bij te bouwen, in een grote oplage, maar we moeten intensiever zoeken in de metropool. Zaanstad, Diemen, Almere, dat is niet Amsterdam. Almere is geen stadsdeel van Amsterdam. Maar waar kan er dan ruimte komen? Er kunnen tijdelijke woningen in Amsterdam gezet worden, maar praktisch is dat moeilijk voor elkaar te krijgen.

Stor: We moeten kansen benutten. Niet blijven zitten in oude ideeën en blijven kijken wat er gebeurt in gebiedsontwikkeling. We moeten anticiperen op de veranderingen in wijken, de kansen bekijken. Alle stadsdelen zijn daarbij betrokken.

Vinken: Niet alleen politici zijn verantwoordelijk. In de wetgeving moet het bestuursplan worden aangepast. Tijdelijke huurwoning is vijf jaar en dat mag niet worden verlengd. Ik zie mogelijkheden in Zuid-Oost. Daar zit het AMC. Studenten zijn belangrijk voor het klimaat van een gebied. Zij zouden goed zijn voor Zuid-Oost en het is niet ver weg. Je moet er positief tegenaan kijken.

Paternotte: Hoe krijg je 3000 studenten in stadsdeel Osdorp?

Stor: ‘Kansen benutten’ is een vage uitdrukking, want je kunt kansen net zo goed laten liggen. Er moeten plannen zijn, regelgeving. Je moet slim bouwen in de stad, bij Amstel of het AMC. Er moet kritisch gekeken worden hoe er meer studentenhuisvesting in die buurten kan worden gepland. Er zijn verschillende vormen: nieuwe plekken in de stad of tijdelijke verhuur in Osdorp door sloop/ renovatie. In dat soort panden zouden studenten tegen een lage huurprijs of gratis kunnen wonen. Zij kunnen daar twee jaar wonen en iets voor de wijk doen.

Weeda: Stadsdelen zeggen dat ze niet aan studentenhuisvesting doen, maar wel aan jongerenhuisvesting. Het is niet òf òf maar kan net zo goed beide. Jongeren zijn een heel andere doelgroep met andere woonwensen en andere effecten op de wijk. Ook hebben jongeren geen campuscontract waardoor het moeilijk wordt voor hun te bouwen. In West is ook niet veel jongerenhuisvesting.

Paternotte: Wat vinden jullie ervan om sloopwoningen etc. aan te bieden in ruil voor werken in de buurt?

Van Roemburg: Van de subsidie van twee miljoen wordt geen gebruik gemaakt. Dat potje is op als de verkiezingen er zijn. De gemeente wil wel projecten als VoorUit subsidiëren.

Liora Eldar (projectleider Project VoorUit): VoorUit was een privé-initiatief van een particulier. We hebben van de gemeente Amsterdam en van het ministerie voor één jaar een klein bedrag aan subsidie gekregen. Tot nu toe hebben we privésponsors gehad en we hebben een benefietavond georganiseerd. Als we groter worden, moeten we meer geld hebben.

Paternotte: Asscher zal de portemonnee trekken voor initiatieven die er komen, heeft hij gezegd in een interview met ASVA…

Scholtes: Een zetje in de rug helpt studenten. Korting op de huur lijkt me prima, gratis gaat wel erg ver en is misschien ook niet mogelijk.

Medewerker van Ymere: De corporaties dragen de kosten van de woningen voor de studenten. De gemeente zou ook moeten bijdragen want het stadsdeel heeft er veel aan.

Scholtes: 700 studenten is meer dan een paar studenten in een wijk zetten. Wat mij betreft zouden er kortingen gegeven moeten worden op de huur. Het is wel gemeenschapsgeld. Het stadsdeel krijgt elke week tien goede initiatieven voor projecten. Hoe verdeel je het geld? Wij kijken wat het meest effectief is.

Hauet: Het geld dat er nu is moet op. Het is van de gekken dat daar niks mee gebeurt. Een deel van het geld is voor studentenhuisvesting bedoeld. Daar gaan we Asscher aan houden. Het programma van de 7600 studentenwoningen moet uitgevoed worden. Er is geld voor projecten als VoorUit en studentenhuisvesting.

Pouw: Er doen meer mensen in de wijk vrijwilligerswerk en die krijgen ook geen geld. Een maatschappelijke bijdrage moet een onderdeel zijn van de studie, waarmee je eerder studiepunten dan geld verdient. Creëer ruimte in de agenda voor duurzame studentenhuisvesting.

Fischer: Wij zijn bereid iets te doen, net als alle andere partijen. We moeten zoeken naar manieren om het slim aan te pakken. Kansen grijpen, lef hebben en het dan doen. De gemeente en stadsdelen moeten faciliteren.

Paternotte: De studenten die meedoen aan de Academie van de Stad wonen niet in dat deel van de stad waar zij een project uitvoeren. Helpt dat wel?

Fischer: Er is behoefte aan studenten. Met Ymere hebben we een formule: een aantal van de studenten wonen in de buurt van het project, andere studenten helpen. Met honderden studenten van de opleiding. Studenten krijgen extra studiepunten. Bewoners participeren, dat is het doel. Studenten moeten het niet doen voor gratis woonruimte of studiepunten. Ik ben een voorstander van korting en niet gratis. Studiepunten is lastig: de curricula van opleidingen zitten potdicht, die moeten opengebroken worden. Docenten moeten dit programma opnemen in hun eigen projecten.

Paternotte: Welke laatste tip hebben jullie voor ASVA?

Scholtes: Zorg voor politiek draagvlak in de stadsdelen. De partijen schrijven nu programma’s voor de verkiezingen. Daarnaast staan er veel winkelpanden leeg. Daar moeten studenten in! Ondernemende studenten kunnen in samenwerking met de universiteit daarin, gratis of tegen een korting. Dat zorgt voor levendigheid. Eigenaren van de panden zijn vaak de bottleneck. Stadsdelen moeten aankloppen bij de eigenaren en benadrukken dat de studenten voor een betere buurt kunnen zorgen en dat de eigenaar daar zelf later ook weer profijt van heeft. Bij Far West gebeurt dat al. 

Fischer: Ik praat met negen stadsdelen, zij willen wel, maar in de begroting kan het niet. Elk stadsdeel moet een gedeelte overlaten voor studentenhuisvesting en projecten zoals VoorUit. Er moet een deel vrije ruimte voor studenten ingepland worden. 5000 euro is niet genoeg. De gemeenteraad moet daarover beslissen.

Pouw: Onderwijsprojecten loskoppelen van studentenhuisvesting. Corporaties financieel haalbaar maken. Studenten leren wonen in Amsterdam, dus in de Intreeweek met een groep naar Osdorp en Adinda van Project VoorUit laten vertellen.

Van Roemburg: Geld vanuit de gemeenteraad moet benut worden. Verder kijken dan de grenzen van Amsterdam, bijvoorbeeld naar Almere.

Verslag congres ‘Studenten in achterstandswijken’ 18 juni 2009

Vanaf 13.00 druppelen de bezoekers voor het congres ‘Studenten in achterstandswijken’ binnen in Paviljoen aan ’t IJ, in het containerdorp met studentenwoningen in de Amsterdamse Houthavens. Het congres is georganiseerd door de ASVA studentenunie. De zaal zit vol studenten en medewerkers van woningbouwcorporaties, maatschappelijke organisaties en de gemeente. Doel van de dag is om deze verschillende partijen effectiever met elkaar te laten samenwerken en tot ideeën te komen waarop studenten in achterstandswijken voordeel kunnen hebben
.

Martijn Weeda, voorzitter van ASVA, verwelkomt de vijftig deelnemers. Volgens Weeda is er te weinig aandacht voor de zaken die goed gaan in achterstandswijken, zoals een initiatief als Project VoorUit en ervaart zijn eigen situatie in een Amsterdamse achterstandswijk als positief. Zo heeft zijn onderbuurman eens zijn wasmachine gemaakt en verwijderde hij op zijn beurt het virus van de computer van die man.

De rol van studenten
PvdA-gemeenteraadslid Sonja Hauet geeft vervolgens haar visie op de rol die studenten kunnen hebben in achterstandswijken. In december 2008 is er een motie over studenten in achterstandswijken aangenomen. Project VoorUit (waarover later meer) heeft voor inspiratie gezorgd om meer studentenhuisvesting in achterstandswijken te plannen. Waarom? Het creëert ten eerste woonruimte voor studenten. Ten tweede zorgt het voor stedelijke vernieuwing in de wijk. Studenten kunnen voorbeelden zijn voor een vrijere levensstijl. Ze zijn hoog opgeleid en zullen een voorbeeld vormen voor andere jongeren in de buurt. Daarnaast neemt de activiteit in de buurt toe. Er vindt uitwisseling plaats van levensstijlen en culturen. Bovendien wordt de lokale economie versterkt. Studenten consumeren in de buurt, bezoeken horeca. Studenten zorgen voor ruering in de wijk en de sociale veiligheid neemt toe. Tot laat op de avond lopen ze immers over straat. Daarnaast zijn studenten initiatiefrijk. Ze zetten zaken in gang. Amsterdam wil een topstad zijn; studenten zijn de toekomst. De stad moet de stroom studenten die in Amsterdam wil wonen plaatst bieden. De 7600 nieuwe studentenwoningen die voor 2010 gepland staan, worden niet gehaald en de economische crisis is ook niet bevorderlijk voor de realisatie daarvan. Maar de crisis biedt ook kansen. Zachte plannen voor koopwoningen kunnen omgezet worden in huurwoningen. Dat biedt soelaas.
    
Een probleem is dat de subsidie voor onzelfstandige woonruimte die ooit werd verstrekt, is afgeschaft. Corporaties vinden het daardoor niet aantrekkelijk onzelfstandige woonruimte aan te bieden, terwijl die gemakkelijker te realiseren zijn. Studenten willen over het algemeen best voorzieningen delen. Men zou erop moeten inzetten om vijftig procent van de studentenhuisvesting op deze manier te realiseren, vindt Hauet. Het kabinet geeft aan geen geld te hebben voor huursubsidie voor onzelfstandige eenheden. Vorige week is er door Kences en de gemeente Amsterdam een pressiebrief naar de Kamer gestuurd om hierop aan te dringen.

Een andere optie is het omzetten van leegstaande kantoren tot studentenkamers. Op dat terrein zijn er veel kansen, maar tot nu toe lukt dat niet. Het is duur. Als niet alles zelfstandig gemaakt hoeft te worden (aparte wc, douche), zouden zulke woningen gemakkelijker te realiseren zijn.

Het labelen van 800 eenheden is niet op gang gekomen. Als er subsidie zou zijn voor onzelfstandige woningen, zou dit een stuk gemakkelijk gaan. Bestaande woningen kunnen dan namelijk aan meerdere studenten verhuurd worden. 

Tot op heden is er weinig gebruik gemaakt van de subsidiepot voor studentenhuisvesting. In die pot zit twee miljoen euro. Hauet hoopt op goede plannen. De wil is er, ook van corporaties. Er zijn veel initiatieven in opvolging van Project VoorUit. Het voortgangsrapport studentenhuisvesting is niet om blij van te worden, maar volgens Hauet triggert dit de zaak en zijn er ontwikkelingen. In een inhaalslag kan volgens haar veel gebeuren.

De overheid bouwt geen woningen, maar faciliteert met geld en door regels soepeler te maken. De corporaties en projectontwikkelaars zijn de uitvoerende kracht. Sommige stadsdelen werken te weinig mee. Er komt wel steeds meer aandacht voor studentenhuisvesting. Studenten doen er vanalles aan en Hauet spreekt vol lof over initiatieven van bijvoorbeeld ASVA om het belang van studentenhuisvesting op de agenda te zetten door een congres te organiseren en alle partners samen te brengen. Er moeten meer studentenwoningen in achterstandswijken komen, zodat die wijken transformeren tot krachtwijken.

Studenten in de Spaarndammerbuurt
Wim de Waard van De Key spreekt vervolgens over de betekenis die de 700 containerwoningen in de houthavens hebben gehad voor de Spaarndammerbuurt. De Waard heeft bij De Key ‘studentenhuisvesting’ in de portefeuille. In de Spaarndammerbuurt zijn 6500 woningen. Waar nu de containerwoningen staan in de Houthavens zijn over 10 jaar 700 nieuwe woningen en een veelheid aan bedrijven gevestigd. Dat alles wordt op eilandjes in het water gebouwd. Deze wijk wordt één geheel met de Spaarndammerbuurt.

Aan het eind van de vorige eeuw is gestart met het uitwerken van de plannen voor deze nieuwe wijk. De plannen werden echter aangevochten door bedrijven in de buurt en afgewezen door de Raad van State. In 2003 is het plan ontstaan om er studentenwoningen neer te zetten. Na zeven maanden konden de eerste studenten al in de containers trekken. Ook kwam het schip ‘de Rochdale1’ er met 170 studenten. Al gauw woonden er zo’n 1200 studenten, waarvan 10 tot 15 procent uit het buitenland afkomstig.

De Spaarndammerbuurt is gelegen in Westerpark, waaronder ook bijvoorbeeld de Staatsliedenbuurt wordt gerekend. Al voordat de studenten in de wijk kwamen hanteerde De Key een buurtgerichte aanpak. Er waren problemen in de wijk. De wijk ging hard achteruit, er zat geen leven meer in. De Key streefde naar meer verschillende woningen in de wijk, want kleine huurwoningen overheersten. De Key wilde meer duurdere huurwoningen en koopwoningen. Daarnaast wilde de woningbouwcorporatie investeren in de winkels. Ten slotte zette De Key in op meer verschillende doelgroepen in de wijk: oud, jong, rijk, arm. De mensen die hier al woonden konden blijven wonen. De Key heeft tegen een aanvaardbare prijs geïnvesteerd in winkels en activiteiten in de buurt: 175 miljoen euro in tien jaar tijd. De studenten die in 2003 in de Spaarndammerbuurt kwamen wonen, landden in een wijk die volop in verandering was; er was een context van beweging, ontwikkeling.

In de Spaarndammerstraat zijn de gevels van de winkels vernieuwd, er zijn winkels bij gekomen en zaken zijn weggegaan. Er is bijvoorbeeld een Beagels & Beans gekomen en een Albert Heijn. Toen de Albert Heijn hoorde dat hier 1300 studenten zouden komen wonen, wilde de winkel hier wel een vestiging openen. De Key wilde bovendien 645 woningen verkopen. Daarvan zijn er tot nu toe 450 verkocht. Er is een medisch centrum in de Spaarndammerstraat gekomen. Behalve De Key, zijn ook Ymere en Rochdale bezig in deze wijk. Dat heeft effect. Er is prestigieuze nieuwbouw gekomen, gebouwen hebben zelfs architectonische prijzen gewonnen.

In het kielzog van de studenten is er horeca gekomen, zoals Paviljoen aan ’t IJ en Freud, waar mensen met een verstandelijke handicap werken. Het wordt steeds drukker in de buurt, dat zie je letterlijk. ’s Ochtends puilen de bushaltes uit en mensen gaan ’s avonds naar de Albert Heijn. De levendigheid in de straten is toegenomen. Het is hier nu wezenlijk anders dan vier, vijf jaar geleden, volgens De Waard.

De wijk zit in de lift en wordt ook als hipper gezien, dat is een gevoel dat heerst. Maar ook harde cijfers wijzen dat aan: de gemiddelde prijzen van gekochte woningen is per vierkante meter gestegen. Dat gemiddelde ligt nu hogen dan het gemiddelde van andere woningen die De Key biedt en dus dan andere buurten. Dit is een indicator dat de investeringen zichtbaar worden.

Studenten maken een onderdeel uit van wat er is gebeurd in de Spaarndammerbuurt en Westerpark. De wijk is omhoog aan het komen. 1300 studenten is een massa, dat is anders dan een paar studenten in een achterstandswijk zetten. Een massa zie je, in de omzet van zaken (het zijn consumenten), en je ziet ze letterlijk veel op straat. Ze maken verschil in de buurt. In het Westerpark is het Westergasterrein, er zijn festivals, het filmhuis Het Ketelhuis, er is een bakkerij. Het park doet het goed. Er is een gymnasium gekomen met een mooie architectonische uitstraling.

Het gaat om een cocktail aan verschillende zaken die de wijk hogerop hebben geholpen. De studenten kunnen gezien worden als smeermiddel. Het zijn niet alleen de studenten geweest, maar zij zijn wel van belang in de mix. Het imago was van studenten was in eerste instantie bij het stadsdeel negatief, maar uiteindelijk hebben ze een positief imago overgehouden.

Gratis wonen in ruil voor maatschappelijk werk
Vervolgens spreekt Adinda Boeren over Project VoorUit. Bij Project VoorUit krijgen studenten een gratis woonruimte in een achterstandswijk aangeboden in ruil voor maatschappelijk werk in de buurt. In 2007 is Project VoorUit gestart. Het idee is overgewaaid uit Israël, waar al 25 jaar dit soort projecten bestaan. Het initiatief is van een particulier, die werk in samenwerking met de VU, Ymere en Far West.

Enkele VU-studenten krijgen in Amsterdam-West gratis woonruimte in ruil voor tien uur werk in de wijk. De studenten organiseren samen met de bewoners van de wijk activiteiten. Adinda woont in Osdorp. Dat is een wijk die aan het veranderen is. Er worden woningen gesloopt (ruiten zijn soms ingegooid), er wordt gebouwd. Het is een zooitje. De studenten proberen voor continuïteit te zorgen voor kinderen die wonen in een wijk die in beweging is. Ze organiseren activiteiten na school en geven huiswerkbegeleiding in een buurthuis. De eerste keer dat de studenten huiswerkbegeleiding gaven, kwamen er drie kinderen. De week daarna stonden er hordes moeders op de stoep. Er is veel mond-tot-mond-reclame. De VU-studenten hebben nu een eigen buurthuis, een appartement van Ymere, met computers en tafels en stoelen. Voor de kinderen is dat een plek om heen te gaan en iets te leren, in plaats van op straat te blijven hangen. De VoorUit-studenten organiseren leesclubs, geven rekenles. Een vader vroeg aan Adinda of zij hem computerles konden geven. Nu geven de studenten computerles voor vaders in de buurt. ‘We laten zien wat er allemaal mogelijk is. Aan moeders geven we Nederlandse taalles. We kijken wat er nodig is in de buurt. Ook gebruiken we de kwaliteiten van de studenten. Ik sport bijvoorbeeld graag en nu doe ik dat vaak met de kinderen.’ De activiteiten zijn gratis. Vaak is er geen geld in de gezinnen om de kinderen op een sportclub te doen. Ook mensen die uit de wijk zijn geplaatst en bijvoorbeeld in IIburg wonen, blijven hun kinderen naar onze lessen brengen.

VoorUit heeft een vast schema met activiteiten. Ook hebben ze de kinderen een keer meegenomen naar de VU, om te laten zien waar de juffen en meesters naar school gaan. ‘Kinderen zagen daar studenten met hoofddoekjes en kwamen erachter dat zo’n toekomst ook een mogelijk is voor hen. Uiteraard zullen de schoolresultaten van deze kinderen verbeteren, maar het gaat ook om kleine dingen waardoor er voor de kinderen een wereld opengaat. In veel gezinnen is het bijvoorbeeld niet gangbaar dat een student op kamers woont, maar de kinderen zien dat nu bij mij. We komen echt in contact met de bewoners. We doen iets met elkaar. Dat is belangrijk. Ook voor de studenten. Studenten kunnen gemakkelijk in zo’n wijk gaan wonen, pionieren. Ze hoeven niet meteen een woning in die wijk te kopen, maar zitten er tijdelijk en blijven dan hangen. Veel studenten van Project VoorUit willen in hun wijk blijven wonen.’

Panelgesprek
Na de pauze is er een panelgesprek onder leiding van Jan Paternotte (duo-raadslid van D’66 en student) met:

Evelien van Roemburg –gemeenteraadslid GroenLinks
Co Stor- directeur gebiedsontwikkeling Westerpark
Alexander Scholtes- raadslid D’66
Nouk Pouw – manager strategie en beleid DuWo
Wilfred Fischer – aanjager Academie van de Stad

Alexander Scholtes is raadslid in Amsterdam Oud-Zuid. Oud-Zuid doet wel wat aan studentenhuisvesting, maar te weinig, volgens Scholtens. Er is een gebrek aan politieke wil. Hoe we verandering daarin zouden kunnen aanbrengen? Het stadsdeel zou woningen kunnen herlabelen. Er zijn voorstellen aangenomen door de deelraad, maar die plannen zijn nog niet uitgevoerd.

Evelien van Roemburg is net afgestudeerd in New York en zit sinds een week in de gemeenteraad. In New York is het verplicht om tijdens de bachelor veertig uur vrijwilligerswerk per jaar te doen. Tijdens haar master in New York heeft ze als vrijwilliger bij een asielzoekerscentrum gewerkt.

Co Stor is gebiedsontwikkelaar en is verantwoordelijk voor de nieuw te realiseren Houthavens. Voor elke locatie werkt het volgens hem anders, hoe de achterstandswijk het beste aangepakt moeten worden. Het is een samenloop van acties. Eerst moet er iets gedaan worden om vertrouwen te generen en duidelijk communiceren wat er gedaan wordt. In de Spaarndammerbuurt is men eerst aan de gang gegaan in de Spaarndammerstraat. Voorheen was de helft van die straat dichtgetimmerd, vanuit daar is men begonnen met de opbouw van de hele wijk.

Nouk Pouw gaat over de containerdorpen van DuWo. Waarom worden studenten altijd in een dorp bij elkaar gehuisvest, wil Patternotte weten. DuWo zoekt naar manieren om studenten te huisvesten. Het alternatief voor het containerdorp in de Houthavens is ver doorgevoerd en ze kunnen misschien langer blijven staan. De boot Rochdale verhuist naar Noord. Maar het staat allemaal nog niet zwart-op-wit.

Wilfred Fischer is van de Academie van de Stad. De stad heeft voordeel van studenten. De Academie initieert zoveel mogelijk sociaal-maatschappelijke projecten met en door studenten uit het hoger onderwijs. Het is interessant voor studenten om met een echte opdrachtgever te werken. Er zijn nu 17 projecten aan de gang met in totaal 340 studenten: een voorleesservice, activiteiten voor buurtbewoners, lesgeven aan allochtonen, inrichten van een nieuw buurthuis en er is een denktank waarbij studenten op basis van onderzoek dat zij doen de buurt proberen te verbeteren.

Paternotte: Lodewijk Asscher heeft in een interview met ASVA gezegd dat studenten de nieuwe elite. Zij worden gesubsidieerd door de overheid en ze leveren niet veel in. Moet je hen nog belonen door gratis woonruimte aan te bieden of zou maatschappelijk werk verplicht moeten worden?

Van Roemburg: Nederlandse studenten doen een investering, ze lenen geld en daarna betalen ze meer belasting. Ze geven een hoop terug. Dus je kunt ze niet zomaar verplichten iets te doen voor de samenleving.

Paternotte: Hoe staan jullie tegenover maatschappelijke stages of studiepunten voor Academie van de stad?

Scholtes: Het moet niet verplicht worden om dingen te doen. Het is prijzenswaardig als je wat doen, zoals een bestuursfunctie bekleden.

Fischer: Ik ben voor studiepunten. Vaak hebben studenten net een duwtje in de rug nodig om mee te doen. Er zijn veel voorzieningen. Alle studenten worden enthousiast als ze meedoen, de drempel is alleen groot. Dus een er mag wel een stimulans zijn zoals gratis woonruimte of studiepunten. Na zo’n ervaring gaan veel studenten vrijwilligerswerk doen. Nu doen er nog weinig studenten mee door de onbekendheid van de projecten en het is moeilijk om projecten in te passen in het curriculum van het onderwijs, maar het is wel in beweging.

Stor: De containerwoningen in de Houthavens zijn geboren uit een crisis. Je hebt een groot gebied nodig om zoiets te kunnen realiseren. Tijdelijke huisvesting kan vaak wel. Je moet kijken naar locaties die een lange transformatietijd hebben en daar tijdelijke studentenhuisvesting neerzetten. Er is niet meer zoveel ruimte over in de stad. Er zijn wel veel panden die leegstaan.

Pouw: Studenten hebben invloed op de wijk. In Noord zijn nu bijvoorbeeld ook festivals, de IJ kantine is er. De buurt staat op de kaart. De containers hebben een impuls. In Oegstgeest heb je hetzelfde effect. De studenten gaan aan de rand van Leiden wonen. Ze blijven daar hangen en kopen er een woning.

Scholtes: De Diamantbuurt en de Pijp horen ook bij Oud-Zuid. In de Diamantbuurt, waar criminele bendes actief zijn, is 80% sociale huurwoning. Het zou goed zijn als van die 80% een deel gelabeld zou worden tot studentenhuisvesting.
ASVA lobbyt goed bij de centrale gemeenteraad, maar zou meer bij de deelraden moeten lobbyen, want daar gaat studentenhuisvesting vaak ten koste van sociale woningbouw.

Van Roemburg: Er is niet alleen woningnood onder studenten. Er zou voor studenten ook buiten de ring meer ruimte moeten worden gemaakt en niet alleen in bijvoorbeeld de Pijp. GroenLinks wil 60% tot sociale huur labelen. Ik vind dat een deel voor studenten moet zijn.

Martijn Weeda: Volgende week beloont ASVA het stadsdeel Oost-Watergraafsmeer, omdat 43% van de 7600 geplande studentenwoningen tot nu toe in dat stadsdeel is gekomen. Stadsdeel West doet juist weer heel weinig aan studentenhuisvesting. Sommige stadsdelen moeten meer doen. Het is niet alleen een afspraak van de centrale gemeenteraad.

Paternotte: Co Stor, zou jij meewerken?

Stor: Tuurlijk! Jongerenwoningen is een andere grote zorg. Het aanbod voor starters is een drama. Studenten zijn belangrijk, maar ik zou de woningen niet benoemen tot studentenwoningen, maar ‘jongeren’, zodat ook afgestudeerden een kans hebben. Starters kopen nu ook in de Spaarndammerbuurt. Je kunt het labelen beter breder trekken, dus ‘studenten, jongeren, starters’.

Pouw: Ik ben voor labelen en tegen nieuwbouw. We moeten benutten wat er is. Ook in stadsdeel Westerpark moet gelabeld worden. Sommige stadsdelen doen veel, zoals Zuid-Oost, maar er moet op gelet worden dat die daarmee blijven doorgaan en niet stoppen.

Scholtes: Je moet afgestudeerden vasthouden, ze een kans geven in Amsterdam te blijven door te labelen.

Iemand van Ymere uit de zaal: ‘Jongeren’ is iets anders dan ‘studenten’. Die jongeren zijn vaak opgegroeid in Amsterdam. Studenten blijven tijdelijk, maar er zou meer keuze moeten zijn. Je moet wel labelen voor studenten, maar labelen voor starters is onzin. In Osdorp kun je na negen jaar iets vinden.

Iemand anders uit de zaal: Voor mensen die na hun studie minder gaan verdienen is het lullig om sociale huurwoningen te labelen.

Sonja Hauet (PvdA): Er zijn afspraken gemaakt om alle nieuwbouw onder te verdelen in 30% sociale huurwoning, 40% middenklasse en 30% koopwoning. Studentenhuisvesting valt onder die 30% sociale huurwoningen. Dat percentage kan niet worden vergroot. Het is waar dat er een lange wachttijd is. Er zijn veel bijzondere groepen gelabeld, voor ouderen etc. Voor ‘gewone’ mensen loopt daardoor de wachttijd op. Moeten we naar een minder doelgroepenbeleid? Er is zo’n lange wachttijd omdat meer dan 50% van het aanbod voor de doelgroepen is gereserveerd. Er komen steeds meer studenten. We labelen wel al voor studenten. De afspraken die we hebben over studentenhuisvesting zijn nog niet uitgevoerd. De Key gaat labelen. Van de 800 woningen die gelabeld zouden worden is nog niks terechtgekomen, maar dat gaat wel gebeuren.

Stor: 30%, 40%, 30%: Van de 30% sociale huur is 65% voor doelgroepen. Er zijn al 800 woningen gelabeld in twee jaar tijd.

Paternotte: Wat doen de stadsdelen voor meer studentenhuisvesting in de stadsdelen?

Fischer: Er zijn 100.000 studenten in Amsterdam. Er wonen 50.000 studenten niet in de stad die wel hierheen willen. We moeten het grootschaliger aanpakken. Er moet een compleet nieuwe stad gebouwd worden met 40.000 nieuwe woningen. Er is weinig mogelijk in de huidige situatie. Er moet flink gebouwd worden voor studenten.

Scholtes: In mijn stadsdeel is niet veel ruimte. Er zijn wel wat plekken, maar naar mijn mening moeten we de hoogte in. Ruimte bieden door in de hoogte te gaan.

Van Roemburg: Almere is een optie: dubbelstad Almere-Amsterdam. Daar zijn veel mogelijkheden.

Lous Vinken: Het is mooi om meer bij te bouwen, in een grote oplage, maar we moeten intensiever zoeken in de metropool. Zaanstad, Diemen, Almere, dat is niet Amsterdam. Almere is geen stadsdeel van Amsterdam. Maar waar kan er dan ruimte komen? Er kunnen tijdelijke woningen in Amsterdam gezet worden, maar praktisch is dat moeilijk voor elkaar te krijgen.

Stor: We moeten kansen benutten. Niet blijven zitten in oude ideeën en blijven kijken wat er gebeurt in gebiedsontwikkeling. We moeten anticiperen op de veranderingen in wijken, de kansen bekijken. Alle stadsdelen zijn daarbij betrokken.

Vinken: Niet alleen politici zijn verantwoordelijk. In de wetgeving moet het bestuursplan worden aangepast. Tijdelijke huurwoning is vijf jaar en dat mag niet worden verlengd. Ik zie mogelijkheden in Zuid-Oost. Daar zit het AMC. Studenten zijn belangrijk voor het klimaat van een gebied. Zij zouden goed zijn voor Zuid-Oost en het is niet ver weg. Je moet er positief tegenaan kijken.

Paternotte: Hoe krijg je 3000 studenten in stadsdeel Osdorp?

Stor: ‘Kansen benutten’ is een vage uitdrukking, want je kunt kansen net zo goed laten liggen. Er moeten plannen zijn, regelgeving. Je moet slim bouwen in de stad, bij Amstel of het AMC. Er moet kritisch gekeken worden hoe er meer studentenhuisvesting in die buurten kan worden gepland. Er zijn verschillende vormen: nieuwe plekken in de stad of tijdelijke verhuur in Osdorp door sloop/ renovatie. In dat soort panden zouden studenten tegen een lage huurprijs of gratis kunnen wonen. Zij kunnen daar twee jaar wonen en iets voor de wijk doen.

Weeda: Stadsdelen zeggen dat ze niet aan studentenhuisvesting doen, maar wel aan jongerenhuisvesting. Het is niet òf òf maar kan net zo goed beide. Jongeren zijn een heel andere doelgroep met andere woonwensen en andere effecten op de wijk. Ook hebben jongeren geen campuscontract waardoor het moeilijk wordt voor hun te bouwen. In West is ook niet veel jongerenhuisvesting.

Paternotte: Wat vinden jullie ervan om sloopwoningen etc. aan te bieden in ruil voor werken in de buurt?

Van Roemburg: Van de subsidie van twee miljoen wordt geen gebruik gemaakt. Dat potje is op als de verkiezingen er zijn. De gemeente wil wel projecten als VoorUit subsidiëren.

Liora Eldar (projectleider Project VoorUit): VoorUit was een privé-initiatief van een particulier. We hebben van de gemeente Amsterdam en van het ministerie voor één jaar een klein bedrag aan subsidie gekregen. Tot nu toe hebben we privésponsors gehad en we hebben een benefietavond georganiseerd. Als we groter worden, moeten we meer geld hebben.

Paternotte: Asscher zal de portemonnee trekken voor initiatieven die er komen, heeft hij gezegd in een interview met ASVA…

Scholtes: Een zetje in de rug helpt studenten. Korting op de huur lijkt me prima, gratis gaat wel erg ver en is misschien ook niet mogelijk.

Medewerker van Ymere: De corporaties dragen de kosten van de woningen voor de studenten. De gemeente zou ook moeten bijdragen want het stadsdeel heeft er veel aan.

Scholtes: 700 studenten is meer dan een paar studenten in een wijk zetten. Wat mij betreft zouden er kortingen gegeven moeten worden op de huur. Het is wel gemeenschapsgeld. Het stadsdeel krijgt elke week tien goede initiatieven voor projecten. Hoe verdeel je het geld? Wij kijken wat het meest effectief is.

Hauet: Het geld dat er nu is moet op. Het is van de gekken dat daar niks mee gebeurt. Een deel van het geld is voor studentenhuisvesting bedoeld. Daar gaan we Asscher aan houden. Het programma van de 7600 studentenwoningen moet uitgevoed worden. Er is geld voor projecten als VoorUit en studentenhuisvesting.

Pouw: Er doen meer mensen in de wijk vrijwilligerswerk en die krijgen ook geen geld. Een maatschappelijke bijdrage moet een onderdeel zijn van de studie, waarmee je eerder studiepunten dan geld verdient. Creëer ruimte in de agenda voor duurzame studentenhuisvesting.

Fischer: Wij zijn bereid iets te doen, net als alle andere partijen. We moeten zoeken naar manieren om het slim aan te pakken. Kansen grijpen, lef hebben en het dan doen. De gemeente en stadsdelen moeten faciliteren.

Paternotte: De studenten die meedoen aan de Academie van de Stad wonen niet in dat deel van de stad waar zij een project uitvoeren. Helpt dat wel?

Fischer: Er is behoefte aan studenten. Met Ymere hebben we een formule: een aantal van de studenten wonen in de buurt van het project, andere studenten helpen. Met honderden studenten van de opleiding. Studenten krijgen extra studiepunten. Bewoners participeren, dat is het doel. Studenten moeten het niet doen voor gratis woonruimte of studiepunten. Ik ben een voorstander van korting en niet gratis. Studiepunten is lastig: de curricula van opleidingen zitten potdicht, die moeten opengebroken worden. Docenten moeten dit programma opnemen in hun eigen projecten.

Paternotte: Welke laatste tip hebben jullie voor ASVA?

Scholtes: Zorg voor politiek draagvlak in de stadsdelen. De partijen schrijven nu programma’s voor de verkiezingen. Daarnaast staan er veel winkelpanden leeg. Daar moeten studenten in! Ondernemende studenten kunnen in samenwerking met de universiteit daarin, gratis of tegen een korting. Dat zorgt voor levendigheid. Eigenaren van de panden zijn vaak de bottleneck. Stadsdelen moeten aankloppen bij de eigenaren en benadrukken dat de studenten voor een betere buurt kunnen zorgen en dat de eigenaar daar zelf later ook weer profijt van heeft. Bij Far West gebeurt dat al. 

Fischer: Ik praat met negen stadsdelen, zij willen wel, maar in de begroting kan het niet. Elk stadsdeel moet een gedeelte overlaten voor studentenhuisvesting en projecten zoals VoorUit. Er moet een deel vrije ruimte voor studenten ingepland worden. 5000 euro is niet genoeg. De gemeenteraad moet daarover beslissen.

Pouw: Onderwijsprojecten loskoppelen van studentenhuisvesting. Corporaties financieel haalbaar maken. Studenten leren wonen in Amsterdam, dus in de Intreeweek met een groep naar Osdorp en Adinda van Project VoorUit laten vertellen.

Van Roemburg: Geld vanuit de gemeenteraad moet benut worden. Verder kijken dan de grenzen van Amsterdam, bijvoorbeeld naar Almere.

 
 Congres 2008: 'Leegstand in de stad'
 

In veel steden is er een tekort aan studentenwoningen, maar frappant genoeg staan er talloze kantoren en etages boven winkels leeg. Woensdag 25 juni organiseerde de ASVA studentenunie en de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) in samenwerking met de UvA het symposium ‘De leegstand in de stad’. Verschillende partijen hebben de struikelblokken rondom het wonen in kantoren en etages boven winkels in kaart gebracht.

Opening Lisa Westerveld, voorzitter LSVb
In het -tot studentencomplex omgebouwde- oude stadsdeelkantoor van Slotervaart kwamen zo’n zestig politici, woningbouwcoöperaties, commerciële partijen en studenten bij elkaar. Dagspreker Remco de Maaijer, directeur van Kences, gaf eerst het woord aan de voorzitter van de LSVb, Lisa Westerveld. Zij vertelde over haar eigen ervaring in haar woonplaats Nijmegen, waar een tekort aan studentenwoningen heerst en waar zij als eerstejaars student werd gedwongen vier keer in één jaar te verhuizen. Dit terwijl zij verschillende kantoren leeg zag staan in de stad. Westerveld: ‘De eigenaren willen die kantoren blijkbaar niet verhuren, ze vinden dat teveel gedoe om ze aan studenten beschikbaar te stellen. Terwijl studenten juist een hele flexibele doelgroep is om te huisvesten. Zij accepteren immers vaak tijdelijke huisvesting.’ Wel voegt Westerveld toe dat de LSVb natuurlijk eigenlijk voor een structurele huisvesting voor studenten pleit en niet alleen voor tijdelijke oplossingen. 

 De gemeente Amsterdam wil vóór 2010 7600 nieuwe studentenwoningen gerealiseerd hebben. Maar niet alleen in Amsterdam is er kamernood, ook bijvoorbeeld Zwolle en Wageningen kampen ermee. En hoewel er wel nieuwe woningen gebouwd worden, wijst Westerveld erop dat er steeds meer studenten bijkomen. Tegelijkertijd is er veel leegstand in de stad: kantoren op industrieterreinen en in de binnenstad, etages boven winkels. Studenten zouden daarin gehuisvest moeten worden. Er wordt te weinig met zulke woningen gedaan. De voorzitter van de studentenvakbond wijst erop dat het pand waarin het symposium plaatsvindt een uitstekend voorbeeld is van de mogelijkheden die er zijn. Maar het gaat te langzaam, er lijken te veel obstakels in de weg te staan. Door middel van het symposium in Slotervaart hopen de LSVb en de ASVA studentenunie tot constructieve oplossingen te komen.

 

WONEN IN KANTOREN

De heer Benraad
Voordat Remco de Maaijer het woord aan de volgende spreker geeft, benadrukt hij nog dat de landelijke politiek de bal bij de gemeente legt en dat de gemeente eisen stelt aan de eigenaren. De heer Benraad, de directeur van de woningcorporatie Stadswonen Rotterdam en medeoprichter van het ‘Transformatieplatform’ spreekt over wonen in kantoren. Benraad is al 25 jaar actief bezig met studentenhuisvesting. Op dit moment werkt hij in Rotterdam waar hij zich onder andere bezighoudt met het verbouwen van kantoren. Stadswonen beheert 7000 woningen in Rotterdam en investeert in aansprekende gebouwen in de binnenstad. Daar wil de student immers graag wonen. Na de oorlog zijn er in Rotterdam veel grote kantoren gebouwd en vervolgens zijn er daar veel van leeg komen te staan. Om er studenten in te kunnen huisvesten moeten zulke kantoren eerst verbouwd worden. Er staan nog veel kantoren leeg omdat de ruimtes vaak niet aan de eisen voor huisvesting voldoen. Dit probleem zie je ook in Amsterdam. De totale behoefte aan grote kantoren zal blijven afnemen, onder andere omdat veel van het kantoorwerk aan het buitenland wordt uitbesteed. 

 Uit een onderzoek van de heer Asselbergs (zie Volkskrant van 24 juni) blijkt dat lokale beleidsmakers vaak niet goed op de hoogte zijn van het aantal leegstaande kantoren in hun gemeente. Er bestaan bovendien vooroordelen over leegstand. Zo denkt men dat zo’n overschot aan kantoorruimtes erop wijst dat het slecht gaat met de economie van de stad, terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Ook bestaat het idee dat de kantoren een onbruikbare infrastructuur hebben om ze om te bouwen tot studentenkamer. Daarnaast vindt niet elke kantooreigenaar het idee prettig dat er studenten in zijn pand komen wonen. Kantoren worden veelal binnen de eigen markt verkocht, want de woningbouwwereld opereert gescheiden van die van de kantoren. Zeer zelden wisselen zij kennis uit. Voor corporaties is het huisvesten van studenten in leegstaande kantoren volgens de heer Benraad een mooie: de corporaties zitten immers al in de wijk. Daarnaast worden op deze manier studenten -die vaak creatieve ideeën hebben- naar de stad getrokken. Gemeentes zouden zich meer in de leegstand van de kantoren moeten verdiepen. De transformatie van kantoor- naar woonruimte geeft een meerwaarde waarvoor de corporaties zich moeten inzetten. Sommige ruimtes zijn ideaal voor studenten om een bedrijfje op te zetten. Het transformeren van de ruimte gaat sneller dan het realiseren van nieuwbouw en is een stuk goedkoper. Bovendien komt er minder bezwaar uit de buurt -hooguit bezwaar van mensen die menen dat studenten voor overlast zouden zorgen-, maar er komt vaak meer protest als er een nieuw gebouw in een bepaald gebied wordt neergezet. Tenslotte hebben transformaties het voordeel dat er duurzaam gebruik wordt gemaakt van grondstoffen, want veel van het bestaande kantoorgebouw kan worden hergebruikt. 

 Om de projecten te laten slagen moet men geen strakke uitvoering van een program nastreven, maar moet men zich richten op de mogelijkheden van het gebouw en niet te veel eisen stellen. Er kleven risico’s aan het verbouwen, maar meestal lukt het wel om tot een haalbare financiering en redelijke huurprijs te komen. Men moet zoeken naar manieren waarop er rendement uit het verbouwen van een gebouw gehaald kan worden, bijvoorbeeld door extra verdiepingen bovenop het gebouw te plaatsen of er een stuk aan te bouwen. In de binnenstad zorgt dit voor een flinke waardeontwikkeling.

 Stadswonen gebruikt twee methodes: het herstellen van monumenten in de oude staat (door ze schoon te maken en op te knappen) of het verbouwen van gebouwen (door er bijvoorbeeld een stuk aan te zetten). Vlakbij het centrum van Rotterdam is bijvoorbeeld de Oude Kerk verbouwd en daarin hebben 300 studenten onderdak vonden. De heer Benraad is van mening dat er iets moet gebeuren aan de leegstaande gebouwen. De gemeente zou verplicht moeten worden er iets aan te doen. Gemeentes zeggen al heel snel dat een gebouw niet brandveilig is en dus niet gebruikt mag worden als woonruimte. Wat dat betreft moet men naar oplossingen zoeken. Bij grote woningen wordt bijvoorbeeld alleen de buitengrens gemeten op brandveiligheid. Als je woning per woning meet, zijn zulke gebouwen niet brandveilig, maar het complex in het geheel wel en daar gaat het om. Ook wordt vaak gezegd dat de ruimtes niet verbouwd mogen worden, terwijl dit bij verder onderzoek wel mogelijk blijkt. Gemeentes zouden moeten signaleren welke gebouwen lange tijd leeg komen te staan.

 De rol van de gemeente bij de transformatie is groot. Bij het transformeren van kantoren naar woonruimte moet vaak de bestemming van het gebouw gewijzigd worden. De gemeente zou daar bij voorbaat toestemming voor moeten geven,ook als er maar een beperkt aantal parkeerplaatsen aanwezig is. Dan zouden veel meer partijen meewerken. Door studenten in de leegstaande kantoren te laten wonen wordt verloedering tegengegaan en trekken jongeren naar de stad. Ook provincies zouden een grote rol kunnen hebben in het proces: zij zouden het bestemmingsplan moeten aanpassen. Eigenaren van kantoren hebben niet door hoeveel ze kunnen verdienen of ze vinden het niet waard de ruimte te verbouwen. Over het algemeen betalen studenten 250 tot 300 euro huur in de binnenstad. De kamers zijn gemiddeld vrij groot, ongeveer 20 vierkante meter. Het is lastig de kantoren zo te verbouwen dat het rendabel wordt, maar op den duur kunnen de kamers als appartementen verkocht worden. Tot op heden is er echter nooit iets verkocht. In Rotterdam is er geen woningnood. Eigenaren verhuren de kantoren voor rotprijzen of laten ze leeg staan, maar de gemeente zou dat moeten verbieden.’

Klik hier om de presentatie van de heer Benraad te bekijken.

De heer Backer
De heer Backer, directeur van Zwerfkei Bewaring (tijdelijk beheer van ontroerend goed) is de volgende spreker. Ook hij pleit namens zijn organisatie voor het bewonen van leegstaande woningen door studenten: ‘Kantoren hebben niet altijd de juiste voorzieningen, maar dat probleem kan worden opgelost door bijvoorbeeld douches erin te plaatsen. Door studenten in leegstaande kantoren te laten wonen, voorkom je dat ze gekraakt worden. Kraken zorgt immers vaak voor grote problemen, de eigenaren van de panden hebben geen poot om op te staan. Je moet juridische gereedschappen in handen houden om het kantoor weer leeg te krijgen. Studenten worden dan door onze organisatie verplaatst naar een ander leegstaande kantoren. Tot nu toe is dat altijd gelukt. Het tijdelijk bewonen is geen blijvende oplossing, maar er zijn veel aanmeldingen, dus blijkbaar is de nood erg hoog. Studenten krijgen een bewaringsovereenkomst en er is een maand opzegtermijn.’ 
 

Vragen uit het publiek
Vervolgens krijgt het publiek de mogelijkheid vragen te stellen aan de heer Benraad en Backer. De eerste vraag is of de prijs van kantoren ook zakt. Er komen immers steeds meer kantoren leeg te staan. Benraad: ‘Men realiseert zich dat het nooit meer verkocht kan worden voor de prijs waarvoor het voorheen werd gekocht (1000 euro p.m.). De prijzen zakken wel iets, maar je kunt kantoren jaren leeg laten staan, zelfs als dat flinke problemen geeft (drugs, criminaliteit). Er bestaat behoefte aan nieuwe kantoren, die moeten op een andere locatie worden aangeboden met een lagere WOZ-waarde. De gemeente zou een lijst moeten maken, een actief programma en vorderen dat de partijen de kantoren willen verkopen.’
Een andere vraag uit de zaal is of er nog een markt zou zijn voor anti-kraak als er een kraakverbod wordt ingevoerd. Backer denkt van wel: Hoe vaak wordt er immers ontruimd? Met anti-kraak bewoning kan onroerend goed beschermd worden tegen de schade die ontstaat door krakers en ontruiming.. Kraken en ontruiming leiden namelijk vaak tot flinke kosten voor eigenaren van kantoren. Daarnaast werkt anti-kraak sowieso goed tegen de woningnood en de verloedering van een wijk.

 

WONEN BOVEN WINKELS

De heer Van der Pas
De directeur van Wonen boven Winkels Nederland, de heer Toon van der Pas, neemt vervolgens het woord. De leegstand boven winkels zorgt voor verloedering van panden. Bouwman legt uit dat de leegstand van de verdiepingen het gevolg is van een sociaal-economische ontwikkeling. Voorheen woonde de winkelier boven de winkel. Als hij ging verhuizen, verkocht hij het pand aan een belegger. Die was alleen geïnteresseerd in de winkel en deed niks met het pand erboven of gebruikte het enkel als opslagruimte. De winkel brengt veel meer op dan de verhuur van de verdieping erboven. Soms is de trap gesloopt en kan men enkel met een vlieringtrap boven komen. In het centrum van steden is steeds minder woningaanbod, omdat er geen economisch draagvlak voor is. De etages boven winkels worden slecht onderhouden en de afwezigheid van bewoners zorgt voor minder sociale veiligheid en levendigheid in winkelstraten.  Dit proces is twintig jaar geleden begonnen. Toen de gemeente het signaleerde, werd er een subsidieregeling ingesteld, maar daar wordt niet veel gebruik van gemaakt. Er is sprake van toename van de leegstand en afname in het gebruik van de subsidieregeling. 

 De volgende problemen zijn aan de orde aangaande het wonen boven winkels: Er is een transformatie nodig (de ruimte moet worden opgeknapt) en dat is vaak duurder dan nieuwbouw; De ruimte is moeilijk toegankelijk (door drukke winkelstraat; De regelgeving neemt toe (bijvoorbeeld wat betreft brandveiligheid en parkeerplekken); De eigenaren van de winkels hebben er weinig belang bij; De winkeliers willen vaak niemand boven de winkel laten wonen. 

 Er was voorheen geen centrale organisatie die hierover ging, nu is dat de Vereniging Wonen boven Winkels. In Maastricht is Wonen boven Winkels al tien jaar succesvol, vooral door de actieve samenwerking met verschillende partijen. Subsidie blijft nodig, maar het succes kan ‘vermarkt’ worden. Men moet kennis en vaardigheden blijven uitwisselen, en de condities voor lokale initiatieven moeten verbeterd worden (bijvoorbeeld het inperken van regelgeving). Een nationale vereniging is beter in staat dat te bewerkstelligen dan lokale instellingen. 

 De aanpak van Wonen boven winkels is als volgt: Er wordt contact gezocht met woningcorporaties en gemeentes; Men wisselt kennis uit; er is een virtueel platform voor betere communicatie onderling; En samen wordt gekeken naar de mogelijkheden voor transformaties. Er blijven nog altijd veel problemen met bijvoorbeeld de financiering en het blijkt vaak moeilijk om winkeleigenaren te overtuigen. Een investeringsfonds voor wonen boven winkels zou hierin een uitkomst kunnen zijn. De panden komen steeds vaker in handen van grote eigenaren, zij moeten tot een andere houding gestimuleerd worden. Op lokaal niveau moet het belang van Wonen boven Winkels uitgedragen worden, want lokaal zien mensen de grootste voordelen.


De heer Steffens
De heer Steffens van het projectmanagementbureau Acquireal Maastricht is de volgende spreker. Acquireal is begonnen in Maastricht en een belangrijke partner geweest bij wonen boven winkels. In andere steden werkt men vaak met subsidie, maar Acquireal koopt de woningen op. Het gaat dus om een bedrijfsmatige aanpak. Acquireal werkt samen met de Universiteit Maastricht, de Gemeente Maastricht en woningbouwcorporaties. Zij hebben bij elkaar nu zo’n 1000 verdiepingen. Ze kopen zo’n 30 woningen per jaar. In 1993 werd het eerste project uitgevoerd. Wonen boven winkels is onrendabel, vandaar dat veel woningen leegstaan. Het investeren erin wordt dan ook onrendabel geacht. Het gaat om hoge kosten en lage huren. De corporaties betalen bijvoorbeeld onderhoudskosten. Je kunt er op korte termijn niet veel geld mee verdienen. Toch maken de vele voordelen (zoals het tegengaan van woningnood en verloedering van wijken) het zeker de moeite waard.

In Maastricht kwam de productie moeizaam op gang totdat Wonen boven Winkels 18 woningen boven de C&A aankocht. Daarmee was het schaap over de dam. De organisatie is in de loop der jaren geprofessionaliseerd en men heeft meer vertrouwen gekregen. Grote beleggers verkopen niet graag hun bovenverdieping. De corporatie investeert daar minder graag in.De reactie daarop was dat Wonen boven Winkels hele winkelpanden is gaan kopen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het gebouw op de markt waarin de SNS-bank huisde. Acquireal heeft dat opgekocht en 60 woningen ervan gemaakt. Vervolgens huurt SNS weer een deel van de ruimte van Acquireal. Inmiddels zijn er twee panden met veel winst verkocht. In 2011 wil Wonen boven Winkels 600 woningen gekocht hebben. 

 Het gaat om een mix van soorten woningen. De onzelfstandige kamers gaan moeilijker dan zelfstandige studio’s. De huur bedraagt ongeveer 300 tot 330 euro per maand (waarvan 100 euro servicekosten). Als de student huursubsidie aanvraagt, woont hij vaak goedkoper dan in een gemiddelde studentenkamer. Jongeren en starters vinden het aantrekkelijk om in het centrum te wonen. Voor vijftigplussers is het daar minder aantrekkelijk, omdat het daar soms lawaaiig kan zijn, de opgangen zijn soms niet goed toegankelijk en de woningen zijn moeilijk bereikbaar met de auto.
De provincies willen van de subsidiëring af, maar misschien willen zij het financieringsfonds voor hun rekening willen nemen. Acquireal heeft succes door de innovatie, door de verbetering van de formule van wonen boven winkels. Aanvankelijk richtten ze  zich op verdiepingen en panden, nu kopen ze clusters en woonblokken op.

In Amsterdam heeft Wonen boven Winkels onderzoek gedaan en zijn tot nu toe 670 woningen gerealiseerd. Deze zijn bijna allemaal gerealiseerd tussen 1985 en 1995. Toen in Amsterdam het stadsdeel centrum werd opgericht is de aandacht voor wonen boven winkels op een laag pitje komen te staan. In Amsterdam zou nu gesproken moeten worden van de subsidie-aanpak ‘woningen boven bedrijven’ (wil subsidie niet loslaten). In het centrum was de start traag. Eerst werden er 50 woningen per jaar gerealiseerd en in 2006/2007 30. Die vermindering komt omdat eerst het fruit werd gepakt dat laag hing, de panden die het makkelijkst te transformeren waren zijn inmiddels al onder handen genomen. 

 In allerlei steden in Nederland zijn woningen via Wonen boven Winkels gerealiseerd. In sommige steden via subsidie, in andere met een bedrijfsmatige aanpak en in andere gevallen gaat het om een tweeledige aanpak. In Utrecht zijn bijvoorbeeld tussen 2000 en 2005 270 woningen gerealiseerd, eerst via subsidie en later is men overgestapt op een bedrijfsmatige aanpak. In Den Haag zijn 250 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad met een tweeledige aanpak. In Rotterdam zijn slechts beperkte mogelijkheden. Hier geldt een andere situatie omdat er meer aanloopstraten zijn, veel kantoren en nieuwe winkels. In Groningen gaat het moeizaam. Leeuwarden is gericht op monumenten. In Nijmegen willen de eigenaren het zelf realiseren (voor Nijmegen geldt net als voor Rotterdam dat de stad in de Tweede Wereldoorlog flink is gebombardeerd waardoor de binnenstad een wat vreemde opbouw heeft). Wonen boven Winkels is ook in kleinere steden actief. 

 De subsidie beperkt zich tot aanloopstraten. De bedrijfsmatige aanpak wint terrein, maar de subsidie van de gemeente blijft van belang. Er vindt een intensivering plaats in het overleg met grote eigenaren en directeuren van winkelbedrijven. De professionalisering bepaalt de marktwaarden. Het is van belang dat Acquireal het netwerk blijft intensiveren, de rol van de politiek is van belang, het is belangrijk dat Acquireal zich concentreert op verschillende regio’s, het projectmanagement moet professionaliseren en er moet constant innovatie plaatsvinden om tot nieuwe financieringsmogelijkheden te komen. 

 Tot nu toe is er steeds een oplossing gevonden voor de opgangen van de verdiepingen boven winkels. Grotere clusters zijn praktisch, dan is er een opgang voor meerdere woningen samen. De ingangen voor verdiepingen boven winkels in de Kalverstraat kunnen bijvoorbeeld vanaf het Rokin of vanuit de omliggende stegen gemaakt worden. Voordat Acquireal aan het werk gaat kijken ze eerst naar potentiële opgangen. De opgangen zijn echter niet het grootste probleem. De moeilijkste taak blijft om de eigenaren van winkelpanden over te halen hun leegstaande bovenverdiepingen te laten transformeren naar woonruimte.  

 Wonen boven Winkels werkt samen met woningbouwcorporaties en gemeentes en die partijen zijn aandeelhouders in de BV of NV die in een stad wordt opgezet om woningen boven winkels te realiseren. Wonen boven Winkels heeft zelf geen aandelen in deze vennootschappen. Nu zijn de corporaties het meest actief, tien jaar geleden was dat de gemeente. De samenwerking tussen de gemeente, de universiteit en eigen verenigingen is succesvol. Zeker in Maastricht heeft de universiteit een belangrijke rol gespeeld, in andere steden is het aandeel van de universiteiten minder groot.


Afsluiting door de heer Bosch

De wethouder voor volkshuisvesting te Utrecht, de heer Bosch, sluit de middag af. Utrecht is een jonge stad die hard groeit, maar zichzelf blijft verjongen omdat het een onderwijsstad is. Er is weinig sprake van leegstaande kantoren en van leegstand in het algemeen, waardoor Utrecht een beetje een uitzondering is in vergelijking met veel andere gemeentes. Boven winkels staan ook weinig ruimtes leeg. In Utrecht is naar alle soorten woningen de vraag groter dan het aanbod. Uit onderzoek is gebleken dat studenten uit hogere jaren graag zelfstandig willen wonen, maar in de eerste studiejaren onzelfstandige woningen geen probleem vinden. 80% van de woningzoekende studenten vindt binnen drie maanden een kamer. Er zijn 62000 studenten in Utrecht. Het kamertekort is zeker 1500 kamers. De heer Bosch vindt dit een acceptabel aantal in verhouding met het aantal studenten in Utrecht en in vergelijking met de cijfers buiten Utrecht. Ook zijn 1500 studenten op zoek naar verbetering van hun woonsituatie. Starters hebben een slechte positie, de wachttijd is 4 tot 7 jaar. Koopstarters (3400) hebben problemen in het vinden van een geschikte woning, want de woningmarkt op dit gebied is krap. De mensen die al ergens wonen worden slapend rijk, terwijl de mensen die nog geen huis hebben de markt niet opkomen.

 De heer Bosch laat voorbeelden zien van studentenhuisvestingsprojecten, zoals de Max, een initiatief van de Rabobank met 750 huur- en 250 koopappartementen. Ook heeft Utrecht starterscomplexen met koopappartementen en een project op de Uithof met 500 huureenheden.
Concluderend kan worden gezegd dat in Utrecht de druk op de zelfstandige woningmarkt veel groter is dan op de kamermarkt, er een hoge druk aan de onderkant van de woningmarkt is en er een tekort is aan betaalbare huurwoningen voor starters en studenten. In de nieuwbouw voor studenten moet zelfstandige woonruimte gestimuleerd worden omdat daar veel behoefte aan is bij gevorderde studenten. 

Na een dankwoord van Lisa Westerveld wordt de middag met een borrel feestelijk afgesloten.

 

 

 

 

 

In veel steden is er een tekort aan studentenwoningen, maar frappant genoeg staan er talloze kantoren en etages boven winkels leeg. Woensdag 25 juni organiseerde de ASVA studentenunie en de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) in samenwerking met de UvA het symposium ‘De leegstand in de stad’. Verschillende partijen hebben de struikelblokken rondom het wonen in kantoren en etages boven winkels in kaart gebracht.

Opening Lisa Westerveld, voorzitter LSVb
In het -tot studentencomplex omgebouwde- oude stadsdeelkantoor van Slotervaart kwamen zo’n zestig politici, woningbouwcoöperaties, commerciële partijen en studenten bij elkaar. Dagspreker Remco de Maaijer, directeur van Kences, gaf eerst het woord aan de voorzitter van de LSVb, Lisa Westerveld. Zij vertelde over haar eigen ervaring in haar woonplaats Nijmegen, waar een tekort aan studentenwoningen heerst en waar zij als eerstejaars student werd gedwongen vier keer in één jaar te verhuizen. Dit terwijl zij verschillende kantoren leeg zag staan in de stad. Westerveld: ‘De eigenaren willen die kantoren blijkbaar niet verhuren, ze vinden dat teveel gedoe om ze aan studenten beschikbaar te stellen. Terwijl studenten juist een hele flexibele doelgroep is om te huisvesten. Zij accepteren immers vaak tijdelijke huisvesting.’ Wel voegt Westerveld toe dat de LSVb natuurlijk eigenlijk voor een structurele huisvesting voor studenten pleit en niet alleen voor tijdelijke oplossingen. 

 De gemeente Amsterdam wil vóór 2010 7600 nieuwe studentenwoningen gerealiseerd hebben. Maar niet alleen in Amsterdam is er kamernood, ook bijvoorbeeld Zwolle en Wageningen kampen ermee. En hoewel er wel nieuwe woningen gebouwd worden, wijst Westerveld erop dat er steeds meer studenten bijkomen. Tegelijkertijd is er veel leegstand in de stad: kantoren op industrieterreinen en in de binnenstad, etages boven winkels. Studenten zouden daarin gehuisvest moeten worden. Er wordt te weinig met zulke woningen gedaan. De voorzitter van de studentenvakbond wijst erop dat het pand waarin het symposium plaatsvindt een uitstekend voorbeeld is van de mogelijkheden die er zijn. Maar het gaat te langzaam, er lijken te veel obstakels in de weg te staan. Door middel van het symposium in Slotervaart hopen de LSVb en de ASVA studentenunie tot constructieve oplossingen te komen.

 

WONEN IN KANTOREN

De heer Benraad
Voordat Remco de Maaijer het woord aan de volgende spreker geeft, benadrukt hij nog dat de landelijke politiek de bal bij de gemeente legt en dat de gemeente eisen stelt aan de eigenaren. De heer Benraad, de directeur van de woningcorporatie Stadswonen Rotterdam en medeoprichter van het ‘Transformatieplatform’ spreekt over wonen in kantoren. Benraad is al 25 jaar actief bezig met studentenhuisvesting. Op dit moment werkt hij in Rotterdam waar hij zich onder andere bezighoudt met het verbouwen van kantoren. Stadswonen beheert 7000 woningen in Rotterdam en investeert in aansprekende gebouwen in de binnenstad. Daar wil de student immers graag wonen. Na de oorlog zijn er in Rotterdam veel grote kantoren gebouwd en vervolgens zijn er daar veel van leeg komen te staan. Om er studenten in te kunnen huisvesten moeten zulke kantoren eerst verbouwd worden. Er staan nog veel kantoren leeg omdat de ruimtes vaak niet aan de eisen voor huisvesting voldoen. Dit probleem zie je ook in Amsterdam. De totale behoefte aan grote kantoren zal blijven afnemen, onder andere omdat veel van het kantoorwerk aan het buitenland wordt uitbesteed. 

 Uit een onderzoek van de heer Asselbergs (zie Volkskrant van 24 juni) blijkt dat lokale beleidsmakers vaak niet goed op de hoogte zijn van het aantal leegstaande kantoren in hun gemeente. Er bestaan bovendien vooroordelen over leegstand. Zo denkt men dat zo’n overschot aan kantoorruimtes erop wijst dat het slecht gaat met de economie van de stad, terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Ook bestaat het idee dat de kantoren een onbruikbare infrastructuur hebben om ze om te bouwen tot studentenkamer. Daarnaast vindt niet elke kantooreigenaar het idee prettig dat er studenten in zijn pand komen wonen. Kantoren worden veelal binnen de eigen markt verkocht, want de woningbouwwereld opereert gescheiden van die van de kantoren. Zeer zelden wisselen zij kennis uit. Voor corporaties is het huisvesten van studenten in leegstaande kantoren volgens de heer Benraad een mooie: de corporaties zitten immers al in de wijk. Daarnaast worden op deze manier studenten -die vaak creatieve ideeën hebben- naar de stad getrokken. Gemeentes zouden zich meer in de leegstand van de kantoren moeten verdiepen. De transformatie van kantoor- naar woonruimte geeft een meerwaarde waarvoor de corporaties zich moeten inzetten. Sommige ruimtes zijn ideaal voor studenten om een bedrijfje op te zetten. Het transformeren van de ruimte gaat sneller dan het realiseren van nieuwbouw en is een stuk goedkoper. Bovendien komt er minder bezwaar uit de buurt -hooguit bezwaar van mensen die menen dat studenten voor overlast zouden zorgen-, maar er komt vaak meer protest als er een nieuw gebouw in een bepaald gebied wordt neergezet. Tenslotte hebben transformaties het voordeel dat er duurzaam gebruik wordt gemaakt van grondstoffen, want veel van het bestaande kantoorgebouw kan worden hergebruikt. 

 Om de projecten te laten slagen moet men geen strakke uitvoering van een program nastreven, maar moet men zich richten op de mogelijkheden van het gebouw en niet te veel eisen stellen. Er kleven risico’s aan het verbouwen, maar meestal lukt het wel om tot een haalbare financiering en redelijke huurprijs te komen. Men moet zoeken naar manieren waarop er rendement uit het verbouwen van een gebouw gehaald kan worden, bijvoorbeeld door extra verdiepingen bovenop het gebouw te plaatsen of er een stuk aan te bouwen. In de binnenstad zorgt dit voor een flinke waardeontwikkeling.

 Stadswonen gebruikt twee methodes: het herstellen van monumenten in de oude staat (door ze schoon te maken en op te knappen) of het verbouwen van gebouwen (door er bijvoorbeeld een stuk aan te zetten). Vlakbij het centrum van Rotterdam is bijvoorbeeld de Oude Kerk verbouwd en daarin hebben 300 studenten onderdak vonden. De heer Benraad is van mening dat er iets moet gebeuren aan de leegstaande gebouwen. De gemeente zou verplicht moeten worden er iets aan te doen. Gemeentes zeggen al heel snel dat een gebouw niet brandveilig is en dus niet gebruikt mag worden als woonruimte. Wat dat betreft moet men naar oplossingen zoeken. Bij grote woningen wordt bijvoorbeeld alleen de buitengrens gemeten op brandveiligheid. Als je woning per woning meet, zijn zulke gebouwen niet brandveilig, maar het complex in het geheel wel en daar gaat het om. Ook wordt vaak gezegd dat de ruimtes niet verbouwd mogen worden, terwijl dit bij verder onderzoek wel mogelijk blijkt. Gemeentes zouden moeten signaleren welke gebouwen lange tijd leeg komen te staan.

 De rol van de gemeente bij de transformatie is groot. Bij het transformeren van kantoren naar woonruimte moet vaak de bestemming van het gebouw gewijzigd worden. De gemeente zou daar bij voorbaat toestemming voor moeten geven,ook als er maar een beperkt aantal parkeerplaatsen aanwezig is. Dan zouden veel meer partijen meewerken. Door studenten in de leegstaande kantoren te laten wonen wordt verloedering tegengegaan en trekken jongeren naar de stad. Ook provincies zouden een grote rol kunnen hebben in het proces: zij zouden het bestemmingsplan moeten aanpassen. Eigenaren van kantoren hebben niet door hoeveel ze kunnen verdienen of ze vinden het niet waard de ruimte te verbouwen. Over het algemeen betalen studenten 250 tot 300 euro huur in de binnenstad. De kamers zijn gemiddeld vrij groot, ongeveer 20 vierkante meter. Het is lastig de kantoren zo te verbouwen dat het rendabel wordt, maar op den duur kunnen de kamers als appartementen verkocht worden. Tot op heden is er echter nooit iets verkocht. In Rotterdam is er geen woningnood. Eigenaren verhuren de kantoren voor rotprijzen of laten ze leeg staan, maar de gemeente zou dat moeten verbieden.’

Klik hier om de presentatie van de heer Benraad te bekijken.

De heer Backer
De heer Backer, directeur van Zwerfkei Bewaring (tijdelijk beheer van ontroerend goed) is de volgende spreker. Ook hij pleit namens zijn organisatie voor het bewonen van leegstaande woningen door studenten: ‘Kantoren hebben niet altijd de juiste voorzieningen, maar dat probleem kan worden opgelost door bijvoorbeeld douches erin te plaatsen. Door studenten in leegstaande kantoren te laten wonen, voorkom je dat ze gekraakt worden. Kraken zorgt immers vaak voor grote problemen, de eigenaren van de panden hebben geen poot om op te staan. Je moet juridische gereedschappen in handen houden om het kantoor weer leeg te krijgen. Studenten worden dan door onze organisatie verplaatst naar een ander leegstaande kantoren. Tot nu toe is dat altijd gelukt. Het tijdelijk bewonen is geen blijvende oplossing, maar er zijn veel aanmeldingen, dus blijkbaar is de nood erg hoog. Studenten krijgen een bewaringsovereenkomst en er is een maand opzegtermijn.’ 
 

Vragen uit het publiek
Vervolgens krijgt het publiek de mogelijkheid vragen te stellen aan de heer Benraad en Backer. De eerste vraag is of de prijs van kantoren ook zakt. Er komen immers steeds meer kantoren leeg te staan. Benraad: ‘Men realiseert zich dat het nooit meer verkocht kan worden voor de prijs waarvoor het voorheen werd gekocht (1000 euro p.m.). De prijzen zakken wel iets, maar je kunt kantoren jaren leeg laten staan, zelfs als dat flinke problemen geeft (drugs, criminaliteit). Er bestaat behoefte aan nieuwe kantoren, die moeten op een andere locatie worden aangeboden met een lagere WOZ-waarde. De gemeente zou een lijst moeten maken, een actief programma en vorderen dat de partijen de kantoren willen verkopen.’
Een andere vraag uit de zaal is of er nog een markt zou zijn voor anti-kraak als er een kraakverbod wordt ingevoerd. Backer denkt van wel: Hoe vaak wordt er immers ontruimd? Met anti-kraak bewoning kan onroerend goed beschermd worden tegen de schade die ontstaat door krakers en ontruiming.. Kraken en ontruiming leiden namelijk vaak tot flinke kosten voor eigenaren van kantoren. Daarnaast werkt anti-kraak sowieso goed tegen de woningnood en de verloedering van een wijk.

 

WONEN BOVEN WINKELS

De heer Van der Pas
De directeur van Wonen boven Winkels Nederland, de heer Toon van der Pas, neemt vervolgens het woord. De leegstand boven winkels zorgt voor verloedering van panden. Bouwman legt uit dat de leegstand van de verdiepingen het gevolg is van een sociaal-economische ontwikkeling. Voorheen woonde de winkelier boven de winkel. Als hij ging verhuizen, verkocht hij het pand aan een belegger. Die was alleen geïnteresseerd in de winkel en deed niks met het pand erboven of gebruikte het enkel als opslagruimte. De winkel brengt veel meer op dan de verhuur van de verdieping erboven. Soms is de trap gesloopt en kan men enkel met een vlieringtrap boven komen. In het centrum van steden is steeds minder woningaanbod, omdat er geen economisch draagvlak voor is. De etages boven winkels worden slecht onderhouden en de afwezigheid van bewoners zorgt voor minder sociale veiligheid en levendigheid in winkelstraten.  Dit proces is twintig jaar geleden begonnen. Toen de gemeente het signaleerde, werd er een subsidieregeling ingesteld, maar daar wordt niet veel gebruik van gemaakt. Er is sprake van toename van de leegstand en afname in het gebruik van de subsidieregeling. 

 De volgende problemen zijn aan de orde aangaande het wonen boven winkels: Er is een transformatie nodig (de ruimte moet worden opgeknapt) en dat is vaak duurder dan nieuwbouw; De ruimte is moeilijk toegankelijk (door drukke winkelstraat; De regelgeving neemt toe (bijvoorbeeld wat betreft brandveiligheid en parkeerplekken); De eigenaren van de winkels hebben er weinig belang bij; De winkeliers willen vaak niemand boven de winkel laten wonen. 

 Er was voorheen geen centrale organisatie die hierover ging, nu is dat de Vereniging Wonen boven Winkels. In Maastricht is Wonen boven Winkels al tien jaar succesvol, vooral door de actieve samenwerking met verschillende partijen. Subsidie blijft nodig, maar het succes kan ‘vermarkt’ worden. Men moet kennis en vaardigheden blijven uitwisselen, en de condities voor lokale initiatieven moeten verbeterd worden (bijvoorbeeld het inperken van regelgeving). Een nationale vereniging is beter in staat dat te bewerkstelligen dan lokale instellingen. 

 De aanpak van Wonen boven winkels is als volgt: Er wordt contact gezocht met woningcorporaties en gemeentes; Men wisselt kennis uit; er is een virtueel platform voor betere communicatie onderling; En samen wordt gekeken naar de mogelijkheden voor transformaties. Er blijven nog altijd veel problemen met bijvoorbeeld de financiering en het blijkt vaak moeilijk om winkeleigenaren te overtuigen. Een investeringsfonds voor wonen boven winkels zou hierin een uitkomst kunnen zijn. De panden komen steeds vaker in handen van grote eigenaren, zij moeten tot een andere houding gestimuleerd worden. Op lokaal niveau moet het belang van Wonen boven Winkels uitgedragen worden, want lokaal zien mensen de grootste voordelen.


De heer Steffens
De heer Steffens van het projectmanagementbureau Acquireal Maastricht is de volgende spreker. Acquireal is begonnen in Maastricht en een belangrijke partner geweest bij wonen boven winkels. In andere steden werkt men vaak met subsidie, maar Acquireal koopt de woningen op. Het gaat dus om een bedrijfsmatige aanpak. Acquireal werkt samen met de Universiteit Maastricht, de Gemeente Maastricht en woningbouwcorporaties. Zij hebben bij elkaar nu zo’n 1000 verdiepingen. Ze kopen zo’n 30 woningen per jaar. In 1993 werd het eerste project uitgevoerd. Wonen boven winkels is onrendabel, vandaar dat veel woningen leegstaan. Het investeren erin wordt dan ook onrendabel geacht. Het gaat om hoge kosten en lage huren. De corporaties betalen bijvoorbeeld onderhoudskosten. Je kunt er op korte termijn niet veel geld mee verdienen. Toch maken de vele voordelen (zoals het tegengaan van woningnood en verloedering van wijken) het zeker de moeite waard.

In Maastricht kwam de productie moeizaam op gang totdat Wonen boven Winkels 18 woningen boven de C&A aankocht. Daarmee was het schaap over de dam. De organisatie is in de loop der jaren geprofessionaliseerd en men heeft meer vertrouwen gekregen. Grote beleggers verkopen niet graag hun bovenverdieping. De corporatie investeert daar minder graag in.De reactie daarop was dat Wonen boven Winkels hele winkelpanden is gaan kopen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het gebouw op de markt waarin de SNS-bank huisde. Acquireal heeft dat opgekocht en 60 woningen ervan gemaakt. Vervolgens huurt SNS weer een deel van de ruimte van Acquireal. Inmiddels zijn er twee panden met veel winst verkocht. In 2011 wil Wonen boven Winkels 600 woningen gekocht hebben. 

 Het gaat om een mix van soorten woningen. De onzelfstandige kamers gaan moeilijker dan zelfstandige studio’s. De huur bedraagt ongeveer 300 tot 330 euro per maand (waarvan 100 euro servicekosten). Als de student huursubsidie aanvraagt, woont hij vaak goedkoper dan in een gemiddelde studentenkamer. Jongeren en starters vinden het aantrekkelijk om in het centrum te wonen. Voor vijftigplussers is het daar minder aantrekkelijk, omdat het daar soms lawaaiig kan zijn, de opgangen zijn soms niet goed toegankelijk en de woningen zijn moeilijk bereikbaar met de auto.
De provincies willen van de subsidiëring af, maar misschien willen zij het financieringsfonds voor hun rekening willen nemen. Acquireal heeft succes door de innovatie, door de verbetering van de formule van wonen boven winkels. Aanvankelijk richtten ze  zich op verdiepingen en panden, nu kopen ze clusters en woonblokken op.

In Amsterdam heeft Wonen boven Winkels onderzoek gedaan en zijn tot nu toe 670 woningen gerealiseerd. Deze zijn bijna allemaal gerealiseerd tussen 1985 en 1995. Toen in Amsterdam het stadsdeel centrum werd opgericht is de aandacht voor wonen boven winkels op een laag pitje komen te staan. In Amsterdam zou nu gesproken moeten worden van de subsidie-aanpak ‘woningen boven bedrijven’ (wil subsidie niet loslaten). In het centrum was de start traag. Eerst werden er 50 woningen per jaar gerealiseerd en in 2006/2007 30. Die vermindering komt omdat eerst het fruit werd gepakt dat laag hing, de panden die het makkelijkst te transformeren waren zijn inmiddels al onder handen genomen. 

 In allerlei steden in Nederland zijn woningen via Wonen boven Winkels gerealiseerd. In sommige steden via subsidie, in andere met een bedrijfsmatige aanpak en in andere gevallen gaat het om een tweeledige aanpak. In Utrecht zijn bijvoorbeeld tussen 2000 en 2005 270 woningen gerealiseerd, eerst via subsidie en later is men overgestapt op een bedrijfsmatige aanpak. In Den Haag zijn 250 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad met een tweeledige aanpak. In Rotterdam zijn slechts beperkte mogelijkheden. Hier geldt een andere situatie omdat er meer aanloopstraten zijn, veel kantoren en nieuwe winkels. In Groningen gaat het moeizaam. Leeuwarden is gericht op monumenten. In Nijmegen willen de eigenaren het zelf realiseren (voor Nijmegen geldt net als voor Rotterdam dat de stad in de Tweede Wereldoorlog flink is gebombardeerd waardoor de binnenstad een wat vreemde opbouw heeft). Wonen boven Winkels is ook in kleinere steden actief. 

 De subsidie beperkt zich tot aanloopstraten. De bedrijfsmatige aanpak wint terrein, maar de subsidie van de gemeente blijft van belang. Er vindt een intensivering plaats in het overleg met grote eigenaren en directeuren van winkelbedrijven. De professionalisering bepaalt de marktwaarden. Het is van belang dat Acquireal het netwerk blijft intensiveren, de rol van de politiek is van belang, het is belangrijk dat Acquireal zich concentreert op verschillende regio’s, het projectmanagement moet professionaliseren en er moet constant innovatie plaatsvinden om tot nieuwe financieringsmogelijkheden te komen. 

 Tot nu toe is er steeds een oplossing gevonden voor de opgangen van de verdiepingen boven winkels. Grotere clusters zijn praktisch, dan is er een opgang voor meerdere woningen samen. De ingangen voor verdiepingen boven winkels in de Kalverstraat kunnen bijvoorbeeld vanaf het Rokin of vanuit de omliggende stegen gemaakt worden. Voordat Acquireal aan het werk gaat kijken ze eerst naar potentiële opgangen. De opgangen zijn echter niet het grootste probleem. De moeilijkste taak blijft om de eigenaren van winkelpanden over te halen hun leegstaande bovenverdiepingen te laten transformeren naar woonruimte.  

 Wonen boven Winkels werkt samen met woningbouwcorporaties en gemeentes en die partijen zijn aandeelhouders in de BV of NV die in een stad wordt opgezet om woningen boven winkels te realiseren. Wonen boven Winkels heeft zelf geen aandelen in deze vennootschappen. Nu zijn de corporaties het meest actief, tien jaar geleden was dat de gemeente. De samenwerking tussen de gemeente, de universiteit en eigen verenigingen is succesvol. Zeker in Maastricht heeft de universiteit een belangrijke rol gespeeld, in andere steden is het aandeel van de universiteiten minder groot.


Afsluiting door de heer Bosch

De wethouder voor volkshuisvesting te Utrecht, de heer Bosch, sluit de middag af. Utrecht is een jonge stad die hard groeit, maar zichzelf blijft verjongen omdat het een onderwijsstad is. Er is weinig sprake van leegstaande kantoren en van leegstand in het algemeen, waardoor Utrecht een beetje een uitzondering is in vergelijking met veel andere gemeentes. Boven winkels staan ook weinig ruimtes leeg. In Utrecht is naar alle soorten woningen de vraag groter dan het aanbod. Uit onderzoek is gebleken dat studenten uit hogere jaren graag zelfstandig willen wonen, maar in de eerste studiejaren onzelfstandige woningen geen probleem vinden. 80% van de woningzoekende studenten vindt binnen drie maanden een kamer. Er zijn 62000 studenten in Utrecht. Het kamertekort is zeker 1500 kamers. De heer Bosch vindt dit een acceptabel aantal in verhouding met het aantal studenten in Utrecht en in vergelijking met de cijfers buiten Utrecht. Ook zijn 1500 studenten op zoek naar verbetering van hun woonsituatie. Starters hebben een slechte positie, de wachttijd is 4 tot 7 jaar. Koopstarters (3400) hebben problemen in het vinden van een geschikte woning, want de woningmarkt op dit gebied is krap. De mensen die al ergens wonen worden slapend rijk, terwijl de mensen die nog geen huis hebben de markt niet opkomen.

 De heer Bosch laat voorbeelden zien van studentenhuisvestingsprojecten, zoals de Max, een initiatief van de Rabobank met 750 huur- en 250 koopappartementen. Ook heeft Utrecht starterscomplexen met koopappartementen en een project op de Uithof met 500 huureenheden.
Concluderend kan worden gezegd dat in Utrecht de druk op de zelfstandige woningmarkt veel groter is dan op de kamermarkt, er een hoge druk aan de onderkant van de woningmarkt is en er een tekort is aan betaalbare huurwoningen voor starters en studenten. In de nieuwbouw voor studenten moet zelfstandige woonruimte gestimuleerd worden omdat daar veel behoefte aan is bij gevorderde studenten. 

Na een dankwoord van Lisa Westerveld wordt de middag met een borrel feestelijk afgesloten.